Dodenakker
(2003)'Dit boek mag op zijn minst
genomineerd worden voor de Gouden Strop.'
Willy Wielek in Trouw
Commissaris Carpentier doet wat gepensioneerden verondersteld
worden te doen: in alle rust een eindje kuieren met zijn vriend, Maurice
Mendelsohn en met zijn hondje, Watson.
Waarom hij uitgerekend het Antwerpse begrafenispark Schoonselhof uitkiest voor
zijn wandelingetje zal hij bij gelegenheid wel eens uitleggen. Daar is nu geen
tijd voor want de commissaris zijn terriër komt aandraven met iets griezeligs
in zijn muil. Auris externa, zegt dokter Mendelsohn, voor de lager opgeleiden:
een mensenoor!
Commissaris Leo Dewit, die in allerijl is opgebeld door zijn vroegere baas,
staat even later voor een onbekend lijk dat hier beslist niet thuishoort. In
tegenstelling tot de tienduizenden die hier fatsoenlijk begraven liggen, is deze
half vergane heer slordig neergezakt op de marmeren vloer van een vervallen
grafkapel. De zakken van het lijk zijn leeggehaald en het enige spoor is een
aangebroken pakje Marlboro waar een boekje lucifers inzit met de opdruk van een
café in Bosnië-Herzegovina.
Dat laatste is geen toeval want Mendelsohns opvolger, wetsdokter Marina Joos,
zegt dat de kogel in de lever van het lijk zonder meer uit een Joegoslavisch
geweer afkomstig is.
Verdomme, bromt commissaris Dewit. Joegoslavië, groot banditisme, federale
parketten kunnen we nu eens nooit een gewone domme moord op ons bordje krijgen!
|
|
|
|
![]() |
Recensie
van Fred Braeckman in De Morgen
© Piet Teigeler