Dodentocht

Hoofdstuk 3

 

‘Wat stond je daar nu te snuffelen?’ vroeg Carpentier.

Zijn vriend maakte een wegwerpend gebaar. Hij leek diep in gedachten verzonken.

‘En je werd helemaal bleek,’ ging de commissaris verder. ‘Net of je had nog nooit een lijk gezien!’

Ze stonden aan de oever van het Kempisch dok. Vlak voor hun voeten lag een aftands sleepbootje met resedagroene luiken waar de verf afbladderde. In de verte zag je een paar lichters en aan de rechter kade  was het tot partyboot gedegradeerde zendschip Veronica afgemeerd. Watson wentelde zich wellustig in het opgeschoten onkruid dat tussen de kinderkopjes woekerde.

‘Jij kent die mannen toch,’ zei Mendelsohn geagiteerd. ‘Dewit is verdomme jarenlang jouw assistent geweest en hij is de case officer in deze zaak. Daar kun je toch gebruik van maken!’

Carpentier fronste de wenkbrauwen. Hij had begrip voor hoofdinspecteur Martens’ plicht als PD-manager, ook al vond hij het niet fijn dat die dikke jongen hen beleefd maar resoluut de deur had gewezen.

‘Ik weet dat je je betrokken voelt, Maurice,’ zei hij. ‘Maar je kent de procedure net zo goed als ik!’

‘Ja,’ zei de dokter schamper, ‘in het belang van het onderzoek enzovoort!’

Een gedrongen man in een bomberjacket stapte uit de cabine van één van de Bulgaarse trucks, die op de kade waren geparkeerd. Hij had een stuk worst in de hand en liep recht op Watson af.

‘Nix fressen!’ blafte Carpentier.

De man deinsde achteruit, gebarend dat het allang goed was en de commissaris had meteen spijt van zijn botte afwijzing. Hij kreeg echter geen kans om het goed te maken, want op dat moment draaide zijn eigen auto de kade op.

Het raampje van de Vectra gleed omlaag en zijn vrouw stak haar hoofd naar buiten.

‘Mij met het middageten laten zitten, oké. Bellen dat je opgehaald wilt worden, tot daar aan toe. Maar je had me wel kunnen vertellen dat de westelijke kade van het Kempisch dok Binnenvaartstraat heet,’ zei ze. ‘Ik heb een kwartier lang op Kempisch Dok Westkaai gestaan en te vergeefs naar water gezocht… Hallo, dag Maurice!’

De dokter nam zijn hoed af en boog zich diep voorover om Linda Carpentier driemaal te zoenen.

‘Ga maar naast haar zitten,’ zei de commissaris.

Hij trok het achterportier open, bevestigde de hondengordel aan Watsons halsband en ging naast hem zitten. Het beest rolde zich op zijn zij en viel meteen in slaap.

‘Wat is er allemaal aan de hand?’ vroeg Linda. ‘Zelfs de VRT kondigt een extra nieuwsflash aan.’

Zij had zich dertig jaar lang zo ver mogelijk van haar mans werk gehouden. Zij was al die tijd violiste in het orkest van de opera geweest en, net als de commissaris, had zij rust en evenwicht gevonden in de wereld van Mozart en Verdi. Hun stilzwijgende overeenkomst luidde dat de realiteit van de misdaad bij de Carpentiers niet door de voordeur kwam.

Maar nu waren ze allebei gepensioneerd en dus vond Linda dat die ouwe deal ongeldig was.

‘John legt het je straks allemaal uit,’ zei de dokter tot Carpentiers verbazing. ‘Vind je het erg om me snel even thuis af te zetten? Ik moet dringend een paar mailtjes versturen.’

Linda was te beleefd om zich om te draaien en haar man vragend aan te kijken, maar de commissaris kon haar voelen staren. Hij had altijd al gedacht dat zijn vrouw ogen had in haar achterhoofd.

 

‘Zeven personen hebben een sleutel van het achterpoortje,’ zei Martens hoofdschuddend. ‘De voordeur wordt elektronisch afgesloten en de cijfercombinatie om ze te openen wordt elke week veranderd.’

‘Aha,’ knikte Dewit, ‘dat beperkt de mogelijkheden toch enigszins.’

De jonge hoofdinspecteur liet een cynisch lachje horen.

‘Ja, dag Jan! Iedere vrijdag wordt de nieuwe combinatie uitgehangen op het prikbord bij de ingang. Van kabellegger tot regisseur zijn er éénentwintig personen bij de productie betrokken. Plus de tien kandidaten en hun occasionele begeleiders. En dan praat ik nog niet over onzichtbaren zoals postbodes, koeriers van DHL en loopjongens van één of andere broodjeszaak, die allemaal voorbij dat prikbord zijn gelopen.’

‘Wat als Lena haar moordenaar gewoon heeft binnengelaten? Er is een elektrische deuropener, die op drie plaatsen kan worden bediend: in de studio, in de morgue en in de woonkamer van het appartement.’

‘In dat geval weten wij zeker dat zij hem kende, want de deuropener werkt met een videofoon.’

Dewit had een lijstje zitten maken, dat hij nu punt voor punt afcheckte.

‘Nagaan of Lena werd bedreigd, misschien was er wel een stalker of zo. Zet daar maar een mannetje op… of nee, liever een vrouwtje. Ik denk dat een gesprek van vrouw tot vrouw, in dit stadium,  meer kansen biedt dan een verhoor. En zet een buurtonderzoek in gang. Laat ze vooral peilen naar de financiën van het echtpaar Sipido-Mampaey. Waren er schulden? Getergde leveranciers? Ik denk dat de onderzoeksrechter misschien een audit zal bevelen naar de financiële toestand van de NV, maar intussen kunnen wij toch al eens een kijkje achter de schermen nemen.’

Hoofdinspecteur Martens had ijverig zitten te knikken. Nu tikte hij ritmisch met zijn potlood tegen zijn tanden.

‘Oké, baas,’ zei hij, ‘natuurlijk doen wij al de voor de hand liggende dingen. Zal ik meteen in gang zetten. Op dit moment worden de verklaringen opgenomen van alle studiomedewerkers en van de drie schoonmaaksters. Maar ik denk dat wij ons ook vooral moeten bezig houden met de acteurs… enfin, de spelers. Er zijn er nu nog tien over, maar er zijn er zeker evenveel die geëlimineerd zijn. Misschien zitten daar wrokkige types tussen. Grote ego’s, die niet tegen hun verlies kunnen.’

Dewit wees op de volgende item van zijn lijstje.

‘Adeline Henderickx,’ zei hij, ‘de secretaresse. Die is de eerste, die wij morgenvroeg ondervragen. Zij heeft niet alleen een lijst van ieder die ooit aan de productie heeft meegewerkt, zij heeft ze ook allemaal persoonlijk gekend.’

‘Morgenvroeg?’ zei Martens. ‘Nokken wij af voor vandaag?’

‘Jij wel, Omer,’ zei de commissaris. ‘Overuren liggen moeilijk in onze CAO. Ikzelf moet nog even met de persofficier overleggen hoe hij zo welsprekend mogelijk niets kan zeggen.’

‘Weet je waar ik aan zit te denken?’ vroeg de hoofdinspecteur. ‘De nabestaanden van die andere lijken, de lichamen die aan de wetenschap geschonken zijn… Misschien vinden die mensen het helemaal niet leuk om hun opa in flarden te zien hakken op de televisie!’

 

Willy De Donker en zijn team hadden geen spatje bloed gevonden in het appartement van Lena en Lambert. In het lijkenhuis hadden zij meer succes.

Zodra hij de mix van natriumhydroxide, luminol,  waterstofperoxide en gedistilleerd water in de betegelde ruimte begon te verstuiven, onthulde het blauwe licht van de Polilight de aanwezigheid van niet geringe hoeveelheden bloed.  

Tot hilariteit van zijn collega’s, gebruikte de kale speurder een gewone plantenspuit als verstuiver, in plaats van de voorgeschreven sproeiflacon B-86300. Maar De Donker was niet het soort man die zich excentriek gedrag permitteerde; jarenlange ervaring had hem geleerd dat het goedkope plastic tuingerief fijner vernevelde dan de standaarduitrusting.

Ondanks de dagelijkse boenbeurten van moeder Sipido, zouden er in een plaats als deze zeker latente bloedsporen aanwezig zijn en het was de wetenschappelijke rechercheur dan ook niet te doen om de rechtstreekse resultaten van deze test. Hij zocht immers niet zomaar naar bloed, maar naar sporen van het bloed van Helena Mampaey.

Daar had hij een spatje voor nodig dat DNA bevatte. Terwijl zijn collega’s de resultaten van de luminoltest op video en fotofilm vastlegden, zocht De Donker met een vergrootglas in de kieren van de deuren en in de voegen van de tegels naar plekjes waar de blauwwitte luminescentie intenser was.

Na uren gepriegel, had de forensische technicus zeven reageerbuisjes met elk een schilfertje van een stof waarvan wij zeker wist dat het bloed was. Of het DNA in die bloedstalen al dan niet gedegradeerd was en of het aan één bepaalde persoon kon worden toegewezen, zou blijken na onderzoek in het Instituut voor de Criminalistiek in Neder-Over-Heembeek.

‘Als je tenminste genoeg tijd hebt om te wachten,’ bromde De Donker.

Hij pakte zijn koffertje in en belde de GSM van commissaris Dewit. De labtechnicus verwachtte niet zoveel van de bloedsporen die hij gevonden had. Maar wat zijn Polilight PL 400 in de woonkamer aan het licht had gebracht, zou de case officer zeker interesseren.

 

Zuchtend van welbehagen trok Carpentier zijn sloffen aan. Als je hem tien jaar geleden verteld zou hebben dat hij ooit nog eens een pantoffelheld zou worden…

‘De Blackbush is op,’ zei Linda over haar schouder.

Zij stond bij de smeedijzeren tuintafel waarvan het marmeren blad plaats bood aan de collectie korte drank van de Carpentiers.

De oude commissaris liet zijn Humo op de grond vallen en begon zich recht te trekken aan de armleuningen van zijn fauteuil, maar zijn vrouw had blijkbaar de aarzeling in zijn ogen gezien. Haar man vond het duidelijk geen aantrekkelijk vooruitzicht om zijn schoenen weer aan te trekken en de auto uit de garage te halen, om naar de dichtstbijzijnde Delhaize te rijden.

‘Blijf jij maar lekker zitten, John zei ze, ‘ik neem wel een glaasje rum… Is er nog wat vanavond?’

Carpentier pakte het televisieblad weer op. Zoals gewoonlijk was er vóór tien uur niets dat hen interesseerde, maar in de gegeven omstandigheden…

‘Zap gewoon eens langs de commerciële zenders,’ zei Linda, ‘die laten zich deze kluif echt niet ontgaan!’

John keek half geïnteresseerd naar de heruitzending van ‘Big Brother’, die op Kanaal Twee liep. Dat onderdeurtje van een jongen met zijn blonde permanent en zijn opgepompte armspieren had blijkbaar de harten gestolen van zowat alle vrouwelijke bewoners van het Huis. Bertje hier en Bertje daar! Op het scherm leek hij groter dan de één meter zestig, waar de commissaris hem op schatte.

Toen Mendelsohn en hij brutaalweg de woonkamer van de Sipido’s waren binnengestapt, had hoofdinspecteur Martens hen er vrijwel onmiddellijk uitgeknikkerd. Maar niet vóór dat de dokter had uitgelegd dat hij daar werkte en dat hij Lambert wilde condoleren. Die was overeind gekropen uit zijn wildgebloemde sofa en had Maurice een slap handje gegeven.

De dokter had de betraande man in zijn armen getrokken, hem met zware hand op de rug geklopt en hem op merkwaardige wijze trachten te troosten  met het citaat ‘The show must go on!’

‘Maurice doet raar,’ zei Carpentier.

‘’t Oud zot misschien?’ bedacht Linda.

Zij zette een schaal met drie sneden belegd brood op het bijzettafeltje van haar man en zij haalde de muts van de theepot. Warm gegeten werd er sinds hun pensioen ’s middags. Als John de lunch wilde overslaan, dan moest hij dat weten. ’s Avonds ging zij niet nog eens koken. Op hun leeftijd verteerde je trouwens geen zware diners meer. Zij ging er alleen maar angstig van dromen en John snurkte er zo mogelijk nog harder door.

‘Oud zot?’ vroeg de commissaris. ‘Je denkt toch niet dat Maurice…’

‘Natuurlijk. Half Vlaanderen is verliefd op Lena. Waarom je vriend dan niet?’

Filmsterren! Carpentier zelf werd nog altijd warm van binnen als er een oude film met Brigitte Bardot werd vertoond. Als snotneus, in de late jaren vijftig, was hij inderdaad zoiets als verliefd op haar geweest. Maar dat was toch geen reden… hoewel, Maurice had Lena natuurlijk wel persoonlijk gekend… en zijn reactie in het lijkenhuis was er toch echt een beetje over geweest!

Het nieuws van zeven uur opende met de travelling langs de gevel van Teeveeland, die Carpentier die ochtend had zien opnemen. Daarna volgden flitsen uit ‘De rode loper’: Lena, Lena en Lambert, de eindeloze benen van Lena, het duizelingwekkende decolleté van Lena…

‘Zij is goed,’ merkte Linda op. ‘Zij loopt goed, zij heeft haar blik onder controle, zij slaagt erin om dat ordinaire lippen- en borstenwerk met een intelligente gezichtsuitdrukking te compenseren… Ik denk dat zij beduidend meer in haar mars heeft dan de meeste bimbo’s.’

‘Zij heeft in ieder geval fortuinen verdiend als beleggingsadviseur,’ zei John. ‘En het schijnt dat het idee voor Dodentocht van haar kwam.’

‘”Dodentocht”,’ aarzelde Linda, ‘waar slaat dat in godsnaam op?’

Mendelsohn had hem dat meermaals tot in de details uitgelegd, maar de commissaris had maar half geluisterd.

‘Het is zo’n reality show van dertien in een dozijn,’ zei hij. ‘Een groep kandidaten moet een aantal opdrachten uitvoeren en het zijn de medespelers zelf, die beslissen wie faalt en wie wint. Lambert Sipido is presentator en scheidsrechter. Als de jury van spelers het onderling niet eens is, mag hij de knoop doorhakken. De eindbestemming is een geheime plek in de ruien. De winnende kandidaat moet dat vieze riool overzwemmen om de overwinningsbel te mogen luiden.’

‘Ah ja,’ zei Linda, ‘de ruien zijn weer gedeeltelijk toegankelijk, heb ik gelezen. Samen met de leden van het orkest,  heb ik ooit een hele boottocht gemaakt over die ondergrondse grachten. Indrukwekkend. De plek, die ze de kathedraal noemen, onder de Sint-Paulusplaats, is een bouwkundig wonder. En weet je wat wij zo grappig vonden? Ondergronds waren de straatbordjes tweetalig. Je raadt nooit waar Leguit de vertaling van is… rue de l’Etalage!’

‘Leuk,’ zei John met opgetrokken neus. ‘Jammer dat het er zo stinkt!’

‘Weet je waar het naar stonk? Naar waspoeder. Je zou denken dat je in een soort beerput terechtkomt, maar de detergenten en andere chemicaliën die wij met zijn allen dagelijks doorspoelen, hebben de ondergrondse kanalen haast kiemvrij gemaakt. Als je het mij vraagt, leeft daar beneden niets, zelfs geen rat.’

‘Echte lijken,’ bromde Carpentier. ‘Afgezien van riolen overzwemmen, slangen vastpakken en vleesmaden  eten, moeten de kandidaten menselijke organen opsporen en  die op de juiste plaats terugstoppen in één van de lijken in de morgue van Maurice. Naar het schijnt, bestaat de eerste aflevering hoofdzakelijk uit flauwvallende mannetjesputters en mooie meisjes die in close-up hun lunch uitbraken.’

‘Smakelijk,’ zei Linda.

Zij bekeek kritisch de vleessalade waar haar sneetje roggebrood mee was belegd.

‘Tja,’ grinnikte haar man. ‘Wat wil je? Dineren doe je beter niet in prime time!’

Op het einde van het nieuws, werd er nog eens rechtstreeks overgeschakeld naar de reporter, die bij Teeveeland had postgevat.

‘Breaking news’,  knipperde een titel, die dwars over zijn borst liep. De man gaf meteen het woord aan de persofficier, een kortgeknipte veertiger in een strak uniform, die Carpentier niet bekend voorkwam.

‘In het belang van het onderzoek, kan ik hier niet dieper op ingaan,’ zei de politieman gladjes, ‘maar ik kan u wel vertellen dat de technische recherche verschillende sporen heeft gevonden. De federale politie denkt dan ook snel te kunnen vorderen in deze spijtige zaak.’

‘Jaja,’ zei Carpentier balorig, ‘fuck you too!’

 

De Donker wilde cola, geen wijn. En hij ging met Leo heel even in de wintertuin zitten. Vijf minuten zou Elza diens avondeten misschien wel warm willen houden?

‘Heb jij een cursus assertiviteit gevolgd?’ vroeg Elza Dewit.

De kale wetenschapper liep rood aan en keek hulpzoekend naar de jonge commissaris. De Donker was vrijgezel en had absoluut geen verhaal tegen vrouwelijk sarcasme. Dewit knipoogde naar zijn vrouw en pakte zijn collega  bij de arm.

‘Ik weet het… euh, jullie hebben een deal dat het gezinsleven vóórgaat,’ stamelde die.

‘Ga zitten, jong,’ zei de commissaris.

De wintertuin was kapitaal, zoals alles in de villa van  Elza en Leo. Elza Reyniers had van haar ouders een keten kapsalons geërfd en de ouders van Leo waren multimiljonair geworden met een fabriekje van verf. De jonge commissaris had zowel zijn ouders als zijn schoonouders ontgoocheld door niet in zaken te gaan. Leo had zelfs het huis willen weigeren dat de families Reyniers en Dewit aan het jonge paar hadden geschonken. Maar Elza had gevraagd of hij misschien op zijn hoofd was gevallen. Uiteindelijk was er een compromis uit de bus gekomen, waarbij de villa in dank werd aanvaard, maar alleen de villa. Er zouden geen auto’s, vakanties of luxeartikelen worden aangekocht die niet konden worden bekostigd met het salaris van een hoofdinspecteur eerste klas van de Antwerpse gemeentepolitie… die intussen weliswaar commissaris bij de federale politie was geworden.

‘Hé Willy,’ zei De Donker, ‘koppetje krabben?’

‘Papa,’ kraste de groene dwergpapegaai, die De Donkers voornaam had geërfd.

Dat was het eerste en het enige woord dat het beest had geleerd sinds de labtechnicus het aan de familie Dewit cadeau had gedaan.

‘Misschien moesten wij maar een vrouwtje voor hem zoeken,’ zei Dewit. ‘Wat is een levend wezen zonder liefde?’

‘Zonder seks zul je bedoelen,’ zei De Donker. ‘Lena en Lambert deden het zonder seks. Als je tenminste afgaat op de afwezigheid van sperma of vaginaal vocht in hun slaapkamers.’

‘Misschien waren hun lakens pas ververst,’ zei Dewit met zijn ogen gericht op de grasgroene vogel, die naar de top van een enorme ficus fladderde. ‘Of anders deden zij het in de woonkamer.’

‘Je weet dat er secretors zijn en nonsecretors?’

‘Je hebt spermasporen aangetroffen,’ zei de commissaris, die nu erg geïnteresseerd keek. ‘En nu heb je de bloedgroep van de donor kunnen vaststellen, want het is een secretor, iemand wiens bloedgroep aantoonbaar aanwezig is in al zijn lichaamsvochten!’

‘Op de sofa in de woonkamer,’ knikte de labtechnicus. ‘Het lab in Neder-Over-Heembeek zal de stalen ooit wel eens op DNA testen, maar ik heb alvast een paar vaststellingen kunnen doen, die ook binnen mijn eigen bescheiden bereik liggen.’

Dewit lachte luidop. Niet alleen vanwege zijn vriend, die duidelijk naar complimentjes viste, maar ook vanwege zijn vrouw die schele ogen trok en haar neus plat drukte tegen de glazen deur van de wintertuin.

‘Oké,’ zei Willy De Donker, ‘als je de pointe van mijn verhaal verknoeit, dan ben ik weg.’

Hij dronk zijn cola in één teug leeg en liep in de richting van de voordeur.

‘Het sperma hoorde toe aan twee verschillende mannen,’ zei hij zonder om te kijken, ‘twee secretors, één met bloedgroep O en één met bloedgroep A.’

terug naar Dodentocht


 

 
© Piet Teigeler