Dood (2007)

Hoofdstuk 1.

 

‘Hij is dood,’ zei Linda Carpentier wezenloos.
‘Ik zal zorgen dat hij wordt verast,’ knikte politiearts Tamara Joos. ‘Dan kun je hem later uitstrooien… in het park of zo.’
‘Mag hij bij jullie in de tuin?’ vroeg Linda.
Commissaris Leo Dewit draaide zijn hoofd weg en veegde met zijn pols over zijn oogkas, nukkig omdat hij het juist nu te kwaad kreeg. Alsof hij minder geschokt was door de zware verwondingen van zijn voormalige baas en vriend John Carpentier, dan door de dood van diens hondje.
Daarna legde hij een hand op de voorarm van de oudere vrouw.
‘Natuurlijk, Linda,’ zei hij. ‘Watson kan altijd bij ons terecht.’
Hij wilde er nog aan toevoegen dat verassen niet eens nodig was, maar dan ving hij de blik op van Tamara Joos. De patholoog anatoom, die zijn gedachten raadde, schudde discreet het hoofd. Natuurlijk: de ontploffing die shrapnel in de schedel van John Carpentier had gedreven, zou diens huisdier helemaal uit elkaar gereten hebben.
‘Bedankt dat jullie gekomen zijn,’ snufte Linda, die met een klein zakdoekje haar ooghoeken depte.
‘John mag dan al gepensioneerd zijn,’ zei de jonge commissaris, ‘hij blijft één van ons!’
Willy De Donker sloeg zijn arm om Linda’s schouders. De forensische speurder was een man van weinig woorden, maar de aanslag op commissaris Carpentier had zijn tong blijkbaar helemaal losgemaakt.
‘Linda,’ zei hij. ‘Het komt goed met John, dat kun je van mij aannemen. De neurochirurgie is de jongste jaren hard vooruitgegaan. Dat is tenminste één voordeel van al dat wapengeweld. Hersentrauma dat in Vietnam nog dodelijk was, kan sinds Afghanistan en Irak afdoende worden behandeld.. en de smeerlap, die de bom gooide, die pakken wij. Dat is beloofd!’
Linda glimlachte. Willy kletste natuurlijk maar wat. Maar zijn welgemeende poging om haar op te beuren, deed haar onwillekeurig denken aan het adagium van haar man: als je zo nodig iets moet geloven, geloof dan iets positiefs.
‘Is hier niet ergens een cafetaria?’ vroeg ze.
‘Natuurlijk,’ zei Tamara, ‘kom maar mee.’
‘Gaan jullie maar,’ besliste commissaris Dewit. ‘Er is voorlopig niets dat wij hier kunnen doen. En buiten loopt een vent rond, die granaten gooit. Kom mee, Willy!’

De Waalse kaai en de Vlaamse kaai worden tegenwoordig gescheiden door een enorme lege ruimte, maar ooit waren dit de kaden van twee dokken waar de mosselvloot aanlegde en waar er een vrachtveerdienst vertrok naar Harwich, in Engeland. Of moest je tegenwoordig ‘Verenigd Koninkrijk’ zeggen?
Dewit bedwong een aandrang om over zijn schouder te kijken. Natuurlijk stond Carpentier niet achter hem. Maar het was precies het soort opmerking, dat zijn vroegere chef zou hebben gemaakt. Mag ik je goede morgen wensen, Leo? Of doen we dat tegenwoordig niet meer?
John Carpentier verafschuwde het bouwvandalisme, dat op het einde van de jaren zestig verantwoordelijk was geweest voor het dempen van de zuiderdokken, maar hij kwam hier blijkbaar wel wandelen met zijn hondje, Watson.
Ongetwijfeld droomde hij dan van het drukke gedoe in de oude haven, kon hij in zijn verbeelding de geur opsnuiven van teer en diesel en keek hij met een woedende blik naar het Hof van Beroep, een nietszeggend gebouw dat de plaats had ingenomen van het romantische binnendok aan de Visserskaai.
Behalve tijdens de zes weken, waarin de jaarlijkse Sinksenfoor hier haar standplaats had, diende de vlakte tussen de Waalse en de Vlaamse kaai nergens voor. Zij werd dus gebruikt als parkeerterrein.
Een pechbevrijder was bezig met het wegslepen van de laatste onbeschadigde auto uit het vak van zo’n honderd vierkante meter, dat was afgebakend met roodwit plastic lint. Een zilverkleurige Renault bleef staan. De twee voorste banden stonden plat.
Politiemannen in uniform ondervroegen de mensen, die in de onverwachte oktoberzon op de terrasjes zaten.
Dewit en De Donker liepen op de dikke jongeman af, die baliekluivers wegjoeg met brede armgebaren en de kreet: ‘Plaats delict, niet betreden!’
‘En?’ vroeg de jonge commissaris, ‘heb je al wat?’
‘Nee,’ snauwde de dikke PD-manager, ‘ik wachtte op jou, meneer de case officer!’
De Donker hield geschrokken op met zich in een witte overall te wurmen, maar Dewit negeerde de opmerking. Ongein over zijn corpulentie had het zelfvertrouwen van hoofdinspecteur Omer Martens ondermijnd, en dat compenseerde hij met plompverloren opmerkingen.
‘Oké baas, sorry!’ zei Omer na een tijdje. ‘John Carpentier en Watson wandelden dwars over het plein. Er was een studentendoop aan de gang. Jongens en meisjes, gehuld in kapotte lakens en met allerlei smurrie in hun haar, moesten absurde opdrachten uitvoeren. Van iemand zijn glas drinken op een willekeurig terras of een zoentje pikken van een politieagent. Er was de gebruikelijk herrie en af en toe ging er een voetzoeker af.
Toen de schachtentemmer Carpentier en Watson in het oog kreeg, stuurde hij een meisje op hen af. Zij moest de hond zijn muil opentrekken en over zijn tanden gaan met een borstel.’
‘En John liet dat toe?’
‘Dat is onduidelijk. Alles is van hieraf een beetje onduidelijk. De volgende scène is een auto, die in volle vaart over het plein scheurt. Een raampje glijdt open en iemand gooit een handgranaat.’
‘Man? Vrouw?’
‘Nee smurf. Als er één ding is waar de getuigen het over eens zijn, dan is het wel het feit dat de granaatwerper een smurfenpak droeg.’

‘Tamara, vertel mij de waarheid,’ zei Linda. ‘Ik heb niets aan de placebo’s voor de ziel, waar de noodarts zo kwistig mee strooide!’
Tamara Joos, die haar carrière als legerarts had beëindigd in de rang van majoor, was vertrouwd met dood en verminking. In haar huidige functie als wetsdokter werd zij dagelijks geconfronteerd met familieleden van slachtoffers. Maar ook de gezichten van de vrouwen die getuige waren geweest van gruweldaden in hellegaten als Rwanda en Bosnië, stonden haar nog duidelijk voor de geest. De bleke gelaatstrekken van de vrouw, die tegenover haar zat in de cafetaria van het Stuivenbergziekenhuis, vertoonden tekenen van stress. Maar van de afwezige blik en de trillende lippen, die symptomen zijn van shock, was niets te merken. Linda, dat had de dokter al eerder ervaren, was een sterke vrouw.
‘Ik zal je niets wijsmaken,’ zei Tamara. ‘John is heel zwaar gewond. De granaatscherven in zijn benen zijn niet levensbedreigend. Hoewel, maak je ook hier niet te veel illusies. Het is lang niet zeker dat hij ooit nog normaal zal kunnen lopen…’
‘Zijn hoofd,’ onderbrak Linda. ‘Hoe zit het met zijn hoofd?’
De politiearts aarzelde.
‘Het is maar een klein fragment,’ zei ze. ‘Niet groter dan, pakweg, een kogel van het kaliber .22. Er zijn zat mensen, die dat soort verwondingen overleven…’
‘Zal John het overleven?’
Tamara Joos pakte een bierviltje en scharrelde een bic op uit haar tas.
‘Dit is de menselijke schedel,’ zei ze een ruwe contour tekenend. ‘Hier binnenin zitten onze hersenen, verpakt in het taaie hersenvlies. Het stukje granaatscherf is hier, achter het oor naar binnen gegaan, ongeveer twee centimeter boven het uitsteeksel van het slaapbeen. Dat is die benige bult achter je oor.’
Linda voelde achter haar oor en de dokter deed haar onwillekeurig na.
‘Infectie is één van de grootste risico’s bij schedeltrauma,’ ging Tamara verder. ‘Daarom zal de noodarts direct de beschadigde huid hebben weggeknipt rond het inslaggaatje. Dat geeft nieuwe huid de kans om te groeien en het vermindert het risico op ontsteking.’
‘Maar John heeft wel een projectiel in zijn hersens zitten. Gaan ze dat weghalen?’
‘Dat hangt er vanaf. Volgens de jongste rapporten van slagveldartsen, volstaat het vaak dat de wonde in de schedel wordt gehecht. Het weghalen van metaalsplinters is vaak gevaarlijker dan ze te laten zitten.’
‘Maar John is volkomen buiten bewustzijn. Dat moet toch van dat shrapnel komen!’
Tamara nam een slokje van haar koffie en begon afwezig met haar pen te jongleren.
‘Het granaatscherfje is door het hersenvlies gedrongen en heeft een subduraal hematoom veroorzaakt…’
‘Een hersenbloeding?’
‘Wel… het komt daar wel op neer, ja.’
‘Dus is hij verlamd!’
‘Niet noodzakelijk. Hangt er van af hoe erg Johns hersenen zijn beschadigd en waar de laesie zit. De noodarts heeft al röntgenopnamen van zijn schedel gemaakt. Ze gaan nu ook een CT-scan doen.’
‘En dan zagen ze zijn hoofd open?’
‘Ik ben bang dat een operatie noodzakelijk zal zijn, ja. Als de bloeding chronisch is, moet die worden gestopt. Er is een waterkansje dat men het bloeden kan stoppen door een stollingsmiddel te injecteren tijdens een angiografie, maar daar zou ik maar niet op rekenen.’
‘Hoe liggen zijn kansen, Tamara?’
‘Daar kan ik niet op antwoorden, Linda. Ons brein bestaat uit vijftig miljard zenuwcellen. Er is proefondervindelijk vastgesteld dat de functie van beschadigde cellen kan worden overgenomen door andere cellen, zelfs na zware verwondingen van het brein. Hoe dat in zijn werk gaat, is vooralsnog niet duidelijk. Dat weet God alleen!’
‘God?... Als je me zegt dat ik moet bidden voor het herstel van mijn man, dan zal ik dat doen. Als het zou helpen dat ik op mijn hoofd ging staan, dan zou ik ook dat doen. Maar is dat de raad die je mij geeft?’
‘Nee,’ zei Tamara Joos nadenkend, ‘dat nu ook weer niet!’

‘Hij heeft zich gebukt,’ zei De Donker, die aandachtig de bloedspetters bestudeerde op het linkerportier van de zilverkleurige Renault Mégane. Daardoor heeft één van de scherven, die op kniehoogte wegvlogen, hem in zijn hoofd geraakt. Leo, speel jij even Carpentier?’
De labtechnicus keek over zijn schouder en zei tegen Omer Martens dat hij de smurf was. Daarna riep hij ‘go!’
Leo Dewit kwam aanwandelen met zijn rechterarm voor zich uitgestrekt, alsof hij een hondje aan de lijn had.
De dikke hoofdinspecteur maakte een werpbeweging.
‘Halt, stop,’ riep de Donker. ‘Je zit in een auto, sukkel. Je hebt niet genoeg plaats om bovenarms te gooien! Je komt van links, dus je gooit uit het achterste raampje aan de rechterkant.’
Na een paar keer proberen, kwamen zij tot de slotsom dat de beste methode om een handgranaat vanuit een auto te gooien een soort backhand was. Als je tenminste van uitging dat de dader rechtshandig was.
‘Dat sluit in dat de auto van de aanvallers vlakbij kwam,’ besloot De Donker. ‘Met een onderhandse backhand kun je hooguit een paar meter gooien.’
Nadat de technicus de lepel had gevonden, en een stukje olijfgroen geverfd gietijzer uit de doorzeefde bumper van de Renault had geprutst, wist hij dat de man in het smurfenpak een defensieve granaat had gebruikt met een gewafeld oppervlak. Dat was dus een Mills, of één van de talloze imitaties daarvan.
‘De Smurf trekt met zijn linkerhand de ring uit de handgranaat en laat die binnen in de auto vallen. Daarna gooit hij het tuig van zich af. De lepel springt weg en de veer drijft de pin in het slaghoedje. De granaat stuitert over het plaveisel…’
‘Eénentwintig, tweeëntwintig,’ telde Dewit luidop.
‘Nee,’ zei Martens, ‘geen lont van twee seconden. Hij is te dicht bij. Minstens vier seconden, dan weet je zeker dat je vluchtauto niet vol splinters zit.’
‘Oké,’ gaf De Donker toe, ‘de aanvallers gaan er in volle vaart vandoor, richting stad. De slachtoffers hebben vier seconden vóór dat de hel losbarst. Wat doet Carpentier?’
‘De granaat oprapen en weggooien. Daarom stond hij gebukt,’ riep de commissaris.
‘Vier seconden zijn toch voldoende…’ begon de corpulente hoofdinspecteur.
‘Ja,’ beaamde De Donker, ‘als John de granaat meteen had gepakt, zou hij hem misschien tijdig hebben kunnen weggooien. Maar, in een reflex, deed hij eerst iets anders. Hij duwde de studentin weg, die zich naar Watson bukte.’
‘Hoe kom je daar op?’
De wetenschapper pakte Dewit bij de mouw en trok hem mee naar de zijkant van de beschadigde Renault.
‘Kijk,’ zei hij. ‘Zie je dat hier?’
Hij wees op een plek aan de rechter zijkant van het spatbord, waar een deuk zat. Tegen het zilver van de metaallak zaten geelrode vegen.
‘Mayonaise en ketchup,’ verklaarde De Donker. ‘Het spul waarmee de doopmeester het haar van de schachten insmeerde. Carpentier duwde het meisje hard weg. Zij viel met haar hoofd tegen de zijkant van de auto en bleef waarschijnlijk even liggen. Groggy. De carrosserie beschermde haar tegen de rondvliegende scherven.’
‘Waar is dat meisje nu?’
‘Met één van de ambulances mee,’ zei Martens, ‘ongedeerd maar in shock!’
De commissaris knikte berustend. Tientallen GSMs zouden het noodnummer hebben gebeld. De meldingen zouden verward zijn geweest maar het woord ‘bom’ zou automatisch politie, brandweer en medische teams hebben gemobiliseerd. Zelfs uit de voorsteden zouden ziekenwagens zijn vertrokken.
‘Zij kan naar één van tien verschillende ziekenhuizen zijn gebracht,’ zei de dikke hoofdinspecteur schouderophalend, ‘en wij hebben geen idee hoe zij heet.’
‘Zoek dat dan maar gauw uit!’ zei Dewit.
‘Ja, baas. Merci, baas,’ antwoordde Martens. ‘Wat een ongelooflijk mooie opdracht!’
 

 


 

© Piet Teigeler