Nothing in life is so exhilarating
as to be shot at without result

(Winston Churchill)

Het dwaalspoor

I

De eerste houw trof een slagader. Een straal bloed spoot omhoog, beschreef een korte boog en liet een druppelpatroon achter op de witgekalkte muur.
De tsjoera was een efficiënt wapen, zwaar in de hand en perfect uitgebalanceerd. Het had één snijkant en het liep puntig toe als een fileermes, maar het staal was veel stijver dan dat van een slagersmes. Het ivoren heft mocht er dan al uitzien als de kruk van een paraplu, het lag net zo vast in de hand als de greep van een pistool.
De vrouw gilde hoog en het lange lemmet gleed over haar keel. Er was weliswaar niemand anders in huis, maar het was beter luid gekrijs te vermijden. De snerpende gil ging over in bubbelend gerochel. Het was tijd om er een eind aan te maken. Jammer dat het mes moest achterblijven, ook de zilveren schede. Niet eens omdat het geld waard was. Ach, geld… Maar je kwam niet elke dag gereedschap tegen dat moeiteloze elegantie en uiterste bruikbaarheid in zich verenigde.
Het witte nachthemd was smetteloos uit de bruinpapieren zak te voorschijn gekomen. Het bebloede mes liet er lange sporen op achter. De stof bood weerstand en er was een snelle kerf nodig om de eerste scheur te kunnen maken.
Ook het meest zorgvuldige doorzoeken van de kamer nam niet meer dan tien minuten in beslag. Maria Van Dam had maar één kamer. Daar stond een bed in, een tafel, een ladekast en een aantal sinaasappelkratjes, die keukengerei bevatten. Drie jurken en een mantel hingen op hun beugels aan een touw, dat gespannen was tussen twee raamkozijnen. In het kastje onder de gootsteen op de overloop, bevond zich een teil, die een poetsdoek en een klodder groene zeep bevatten. In de ladekast was alleen ondergoed te vinden en een paar zijden kousen, waarin een ladder professioneel gemaasd was. Ook een witte paternoster en een dun zwart boekje dat naar wierook rook. Op het schutblad was het jaartal 1773 afgedrukt. In het boekje stonden letters die aan gotisch schrift herinnerden, Oud Vlaams waarschijnlijk en de handgeschreven inscriptie 'Voor uw plechtige communie, Tante Mit.' Dat was misschien toch wel een leuk souvenir. Hoewel, discipline was belangrijker. Dit was geen privé-onderneming, de sporen die werden achtergelaten mochten aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Een gebedenboekje dat verdween, zou de zaak nodeloos compliceren. Het nachthemd viel waar het indruk zou maken. Een stoel omgooien, misschien? Nee, beter niet. De furie moest onontkoombaar zijn, maar niet ongecontroleerd. Drie vegen van het in bloed gedrenkte doek, om het teken aan te brengen. Het enige wat nog ontbrak was één woeste stoot, postmortaal, maar met onfeilbaar vakmanschap naar de poortslagader gericht. Als er nog bloed was, dan vloeide het nu.

De wattman vloekte zachtjes toen hij zijn enige passagier uit de rijdende tram zag springen. Het gebeurde wel meer dat late fuifnummers op het laatste moment besloten dat zij nog wel een borreltje lustten, maar de trambediende had de heer met de serge overjas en de zwarte homburg niet voor een pierewaaier gehouden.
'Het oud zot!' riep hij tegen de ontvanger, die zich op het achterbalkon aan een stang vastklampte.
'Ik ken hem wel,' antwoordde die. 'Het is al de tweede keer dat hij vanavond van gedachte verandert!'
Met zijn hand op de geldtas, die op zijn buik hing, spuwde hij een straal tabakssap op straat en keek ongeïnteresseerd de man achterna die struikelend in de Nationalestraat verdween.
De man met de homburg wist zijn evenwicht te herwinnen en zette er flink de pas in. Het had opgehouden te regenen en de frisse westenwind monterde hem op. Hij had het ijle stadium van dronkenschap bereikt, waarin een andere persoonlijkheid denken en doen overneemt. Een perfect gecoördineerd superego, dat zonder struikelen op wolkjes loopt en dat praat met de accentloze precisie van de ware intellectueel.
Toen hij de Lange Ridderstraat bereikte, moest hij even stilstaan en zijn hoed afnemen om de zweetband met zijn zakdoek af te vegen. De agent met de witte helm, die onder een lantaarnpaal in zijn notitieboekje stond te bladeren, keek hem oplettend aan.
'Een goede avond gewenst, agent!'
De politieman knikte en keek de goedgeklede heer onverschillig na. In het Sint-Andrieskwartier zag je meer mannen met werkmanspetten op hun hoofd dan welgedane burgers met een stijve hoed, maar de straten waren er voor iedereen, nietwaar!
Merkwaardiger was het dat de heer hier thuis leek te horen. Na een korte blik op de deurstijl van nummer 71, duwde hij tenminste zonder aarzelen de voordeur open. Hij nam zijn hoed af en verdween in het trappenhuis, als een man die weet waar hij naartoe wil.
Toen er opnieuw ijzige motregen begon te vallen, zette de agent de kraag van zijn pelerine rechtop en wandelde vlak naast de huizen verder, somber neuriënd in de ellendige novembernacht. 

© Piet Teigeler