Op bezoek bij Piet Teigeler

INTERVIEW MET EEN VERPOTTE SINJOOR

Door Lionel Cabral

 

Omdat ik hem al heel lang ken, vallen mij niet zozeer de verschillen op (wit geworden haar, krommende ruggengraat) als wel de herkenbare gelijkenissen (de enorme oren, de ietwat spottende oogopslag). Je vraagt je af of hij erg veranderd is, sinds we samen op de  lagere school zaten,  in de Jodenstraat.

Teigeler: ‘Het beangstigt mij soms een beetje, maar ik ben nog steeds datzelfde jongetje. Nu racisme en discriminatie weer aan de orde zijn, ben ik meer dan ooit  een moffenjong, ook al is mijn Duitse pa al vijfentwintig jaar dood. Die leider van de KSA met zijn broeierige ogen zit mij nog elke dag  achterna in de verlaten feestzaal van het college, en de boeken uit de oude bibliotheek op zolder zijn nog steeds de echo van de emoties uit mijn jeugd. Ik vraag mij soms af  of mijn vader, en mijn ietwat plechtstatige ooms, zich op hun 66ste ook nog snotneuzen voelden.’

Je bent ooit wel anders geweest. Zelfzekerder, volwassener! 

Teigeler: ‘Dat was ík niet, dat was een vent die een gezin had en geen behoefte aan  armoe lijden. Als je zonder veel troeven speelt, helpt alleen bluffen.

Iemand die een spreekbeurt van mij moest inleiden, stelde mij overigens ooit voor als ‘ex-hoofdredacteur’. Daar werd ik behoorlijk pissig van. Alsof hoofdredacteur het hoogste was dat je ooit kon bereiken, alsof alles wat je daarna had gedaan van minder belang was. Ik zei toen dat ik ook ex-loopjongen was, ex-directeur van een transportfiliaal, ex-chauffeur van een wonderdokter, ex-barman en ex-reisgids naar landen waar toen nog een IJzeren Gordijn voor hing. Er viel een wat gegeneerde stilte: in de jaren tachtig was wat je deed belangrijker dan wie je was. Mijn omgeving begreep niet dat mijn carrière in de journalistiek uiteindelijk ook maar een baantje was. Ik heb dat bepaalde baantje dertig jaar volgehouden, maar daar wordt het niet belangrijker van.’

En wat je nu doet is wel belangrijk?

Teigeler: ‘Ach… het hangt er maar van af wat je belangrijk noemt. Er vallen een aantal puzzelstukken op hun plaats in mijn leven, dat wel. In staat zijn om te schrijven wat ik wil, om doelgroepen en andere marketingsmoesjes aan mijn laars te lappen en daarbij toch nog genoeg lezers te bereiken, is voor mij persoonlijk belangrijk. Maar vierentwintig uur per etmaal in harmonie te kunnen samenleven met mijn partner, is minstens even belangrijk. En om ’s morgens op te staan en vast te stellen dat ik nergens pijn heb, dat is helemaal het einde. Belangrijkheid is uiteindelijk niet meer zo belangrijk.’

 

HISPANIDAD EN BELGITUDE

De zon gaat spectaculair onder. Achter het terras en de sinaasappelbomen, domineert een puntige berg het landschap. ‘Daar wordt straks mijn as op uitgestrooid’ zegt mijn gesprekspartner. Hij heft zijn glas bronwater en ik klink met de huiswijn die hij zelf alleen bij het middageten drinkt.

Je hebt anders vroeger wat afgezopen!

Teigeler: ‘Ik ben in zesennegentig gestopt met roken. Het was genoeg geweest, vond ik.  Een paar jaar later had ik ook niet zoveel zin meer in alcohol. Nu is het al jaren geleden dat ik nog dronken ben geweest. Twee of drie glazen wijn per dag is tegenwoordig mijn limiet. Geen verdienste, hoor: ik heb er gewoon geen zin meer in.’

Heeft dat iets te maken met Spanje, je nieuwe thuisland? Je ziet hier nauwelijks dronkelappen.

Teigeler: ‘Dat is je dus opgevallen! Nee, ik denk dat het gewoon een soort fysieke weerzin is, of een plotse allergie. Maar Spanje beschikt natuurlijk wel over een merkwaardige cultuur van matigheid. Bij onze buren wordt er geregeld gefeest en dan komen er flessen wijn op tafel waar je lyrisch van wordt. Maar er worden alleen bodempjes geschonken in van die onaanzienlijke mosterdglaasjes, één fles voor wel twaalf gasten. Er wordt aandachtig geproefd en er wordt ernstig van gedachten gewisseld over de kwaliteiten, maar als het op drinken aankomt grijpt iedereen naar de waterkruik.’ 

Je kunt je nauwelijks een groter verschil met Vlaamse feestjes voorstellen.

‘Dit is een ander land, niet alleen een ander klimaat, maar ook een andere cultuur. Ik heb mij aangepast met het hinkende enthousiasme van een oude circusleeuw, die opeens wordt losgelaten in de savanne. Ik hou van Spanje en ik denk niet dat ik er ooit nog definitief weg wil, maar nu ik hier al een paar jaar ben ingeburgerd, vallen mij de overeenkomsten meer op dan de verschillen. De ‘hispanidad’ bijvoorbeeld is een gevoel dat eigenlijk alleen naar boven komt tijdens een voetbalinterland. De rest van de tijd voelt de gemiddelde Spanjaard zich enkel verknocht aan zijn ‘patria chica’ –letterlijk vertaald: zijn kleine meisje moederland- en daar bedoelt hij dan iets mee dat echt heel klein is: zijn dorpje in Estramadura of zijn barrio in Barcelona. Je kunt toch geen betere definitie van de ‘belgitude’ bedenken: Bent u een Belg? Nee ik ben van Aàntwààrpe!’

 

AANTWAARPE

Al zijn verhalen spelen zich af in Antwerpen. Hij schrijft over die stad alsof hij het over een geliefde heeft. Als hij het daar zo leuk vindt, waarom gaat hij dan elders wonen?

Teigeler: ‘Aanvankelijk om praktische redenen. Ik had b.v. allerlei beschavingskwaaltjes, zoals astma en reuma, waar ik in dit gezegende klimaat opeens geen last meer van had. Bovendien hadden wij het geluk om hier een huis te kunnen kopen dat wij ons in België nooit zouden kunnen veroorloven. Maak je geen illusies, sinds drie of vier jaar lopen de immobiliënprijzen hier volkomen uit de hand, maar wij waren dus nog net op tijd.’

Als je het alleen voor de poen en voor het klimaat doet, kun je natuurlijk beter naar Namibië gaan of zo!

‘Wie weet hoe leuk ik het daar gevonden had. Maar het is dus Spanje geworden en daar voel ik mij ondertussen thuis. Ik ben in Antwerpen geboren en ik heb er bijna mijn hele leven gewoond. Ik ben een typische Antwerpenaar, zowel wat mijn chauvinisme als mijn gekanker betreft, maar… ach…’

De man, die tegenover mij zit aan de verweerde terrastafel, haalt de schouders op en schenkt mijn glas nog eens vol. Dan zit hij wel een minuut lang zwijgend met mijn sigarettenpakje te spelen. Ik geef blijk van enig ongeduld.

Teigeler: ‘Ach het wordt zo gauw verkeerd opgevat als je dat zegt, maar ik had een beetje genoeg van Antwerpen. Terwijl ik druk bezig was met allerlei dingen, die ik toen wel belangrijk zal gevonden hebben, glipte het Antwerpen dat in mijn hoofd en in mijn hart leefde, zachtjes weg. Toen ik mij realiseerde wat er aan de hand was, was de ravage al compleet. Het Antwerpse dialect –een wereldtaal, meneer!- was vervangen door een soort Heren–Van- Zichems. Niet door Nederlands, dat zou ik niet erg gevonden hebben, maar door het koeterwaals dat ze tegenwoordig ‘verkavelingsvlaams’ noemen. Instituten, die eigenlijk recht op monumentenzorg zouden moeten hebben, waren opeens weg: de sportwinkel van Braine, cinema Pathé, de onsterfelijk geachte Locarno, de pispaal die generaties bij het loodswezen heeft gestaan…’

En natuurlijk is ook de ‘Robinet’ weg, je eigen geboortehuis!

‘Ik ben daar niet geboren, maar in de materniteit aan de Vinkenstraat, waar nu een oudemensenhuis is in ondergebracht. In de eerste jaren van hun huwelijk woonden mijn ouders elders in de stad, maar toen mijn vader, als Duitser, in mei 1940 werd aangehouden en met één van de beruchte spooktreinen werd weggevoerd naar een Frans concentratiekamp in Saint-Cyprien, ging mijn moeder met mij terug thuis wonen. Thuis, dat was het café ‘Du Robinet’, op het Mechelse plein, dat werd uitgebaat door mijn grootouders. Wij woonden er op de tweede verdieping en mijn broer -die in 1941 werd geboren-  en ik,  brachten onze hele jeugd door in die heerlijke, gammele kast van een huis. We gingen er pas weg na de dood van mijn grootmoeder, in de late jaren vijftig. De ‘Robinet’ heeft oorlogen overleefd, maar was uiteindelijk niet opgewassen tegen de slopershamer van de urbanisten. Eén troost heb ik: in het plantsoentje, op de plek waar vroeger onze trap naar de verdiepingen begon, zit nu Willem Elsschot, een man die ik zeer bewonder, als Antwerpenaar, als vrijdenker en als schrijver.’

 

WILLEM ELSSCHOT

Waarmee we zijn aanbeland bij Teigelers jongste boek, ‘Het Dwaalspoor’. De verwijzingen naar ‘Het Dwaallicht’ zijn legio en de auteur maakt ook geen geheim van zijn inspiratiebron.

Teigeler: ‘Het is een literaire pastiche op ‘Het Dwaallicht’. Ik breng bijna uitsluitend personages voor het voetlicht, die in Elsschots werk voorkomen en de ene grote uitzondering daarop heet Fons Chevalier. Je moet geen studies hebben gedaan om daarin ‘Alfons De Ridder’ te herkennen, de echte naam van Elsschot.’

En Lorna Lincoln?

‘Ja dat is nog een uitzondering : een jazzzangeres, die een belangrijke rol speelt in het verhaal, maar die als karakter nauwelijks is uitgewerkt. Zij is eerder een klankbord voor de gevoelens van Karel De Keizer, de onfortuinlijke snotneus uit ‘Een ontgoocheling’, die in mijn verhaal volwassen is geworden en die door Laarmans is aangenomen als technisch directeur van het Wereldtijdschrift.’

Maria Van Dam wordt op gruwelijke wijze vermoord!

Teigeler: ‘Is dat zo? Of lijkt het maar zo? ‘Het Dwaalspoor’ is een misdaadroman, want ik schrijf nu eenmaal misdaadromans, maar dat betekent niet dat het verhaal voorspelbaar moet zijn, of zich moet ontwikkelen via bepaalde gebaande paden, zoals dat zo vaak in het ‘thrillergenre’ het geval is. Ik heb mij in de afgelopen jaren wel eens laten verleiden om mee te doen met de ‘thriller-rage’, maar daar hou ik mee op. Mijn boeken zullen best spanning blijven bevatten, maar niet tot elke prijs. ‘Het Dwaalspoor’ is voor mij een keerpunt: dichter naar het menselijke verhaal, verder weg van de krimi. Als je alleen maar geïnteresseerd bent in bizarre moorden, moet je dus niet meer bij mij wezen.’

Je bent blijkbaar niet helemaal tevreden over sommige  boeken, die je tot nu toe geschreven hebt. Welk verhaal vind je zelf het beste?   

‘Ik ben over geen enkel van mijn boeken tevreden. Een boek dat zo goed is, dat ik er tevreden over kan zijn, zal ik wel nooit kunnen schrijven. Maar mijn béste boek is natuurlijk altijd het volgende. Hoe dat zal heten, weet ik nog niet, maar Carpentier en Dewit komen er in terug.’