John Carpentier stond er al moedeloos bij, nu raakte hij ook nog geïrriteerd.
'De wàt?'
'De case officer!' herhaalde de kalende jongeman. 'Tegenwoordig wordt er voor iedere zaak een case officer aangeduid, die de politionele leiding heeft. Maar er zijn ook een PD-manager, een beheerder inbeslagnemingen en een labcoördinator. Dat ben ik dus.'
'Maar je zei dat het zelfdoding was, Willy, dat is toch geen misdrijf!'
'Het heeft alle schijn van suïcide, maar als je er een eind aan maakt op een openbare plaats, komt de wetenschappelijke politie automatisch ter plekke. Als wij dat nodig vinden dan wordt de zaak opgewaardeerd van zelfdoding naar verdacht overlijden…'
'En in dit geval is dat nodig, daarover ben ik het helemaal met je eens. Menno Brouckmans was niet het type dat de hand aan zichzelf slaat.'
Carpentier wees op één van de geüniformeerde agenten, die bezig was de plaats delict met roodwit gestreept lint af te bakenen.
'Als je nu even tegen die gast zegt dat hij mij door mag laten…' begon hij.
'John,' onderbrak labcoördinator Willy De Donker, 'ik herhaal dat je de komst van de case officer zult moeten afwachten, ik mag niet eens politiemannen toelaten in de verboden zone, laat staan burgers!'
Carpentier liet zijn zware hoofd hangen. Burgers! Dat deed behoorlijk zeer, zeker als het uit de mond van een voormalige medewerker kwam. Maar het was natuurlijk waar: vorig jaar had hij vrijwillig ontslag genomen uit de lokale recherche en gepensioneerde commissarissen waren burgers. Hij stopte zijn handen diep in de zakken van zijn jekker en keek somber toe hoe De Donker een witte overall aantrok en op het lijk afliep.
'Ik ben een getuige,' bromde hij, toen een agent hem terug wilde dringen, samen met het groepje mensen dat op een onverklaarbare manier altijd de weg vindt naar de plek waar zojuist iets vreselijks is gebeurd.
'Dan wacht u in de politiezone,' commandeerde de agent, 'die bevindt zich tussen dit lint en het volgende. Achter het volgende lint begint de verboden zone, daar mag u in geen geval komen!'
Het lint dat de politiezone afbakende, sloot de Zeeuwse Koornmarkt volledig af. De tweede roodwitte barrière liep achter het monument voor de zeelieden door en omvatte bijna alle zitbanken. Die waren leeg behalve één. Menno lag in elkaar gezakt op het bankje vlak bij de ronde hoek, waar de rivier langs de dichtgemetselde sluisdeuren van het Bonapartedok kolkte. Dat was het beste bankje, het bankje met het mooiste uitzicht, hun bankje.
Willy De Donker trok reglementair de kap van zijn witte overall over zijn spaarzame haren en boog zich met een videocamera over het lijk van Menno. Langzaam achteruitlopend zoemde hij daarna uit.
Als hij zijn nek rekte, kon Carpentier een glimp opvangen van de karabijn, die zogenaamd uit Menno's hand was gevallen, nadat hij zich in het gezicht had geschoten.
'John, ben jij dat?'
'Dat zou hij al helemaal nooit hebben gedaan,' schreeuwde Carpentier geagiteerd. 'In zijn mond tot daar aan toe, maar in zijn gezicht: nooit of nooit!'
Hij draaide zich om naar het drietal mannen, dat achter hem de politiezone was binnengekomen.
'Leo,' riep hij, 'mijn intuïtie zegt mij dat er hier iets niet klopt.'
Hij tikte met zijn wijsvinger tegen zijn neusvleugel.
'En op mijn neus heb ik altijd kunnen vertrouwen, dat weet je zeker nog wel!'
Commissaris Leo Dewit schraapte gegeneerd de keel.
'Excuseer, heren,' zei hij, 'mag ik u voorstellen, commissaris in ruste, John Carpentier, mijn voormalige chef bij de oude Dienst Opsporingen… John, je kent meneer Deloore misschien nog wel, de onderzoeksrechter? En dit hier is hoofdinspecteur René Dieltjens…'
'… de PD-beheerder,' voegde de hoofdinspecteur er aan toe.
De man was keurig gekleed en droeg een bril met donkere randen. Carpentier mocht hem niet. Die instinctieve afkeer werd er niet beter op toen de kerel hem van onder tot boven bekeek en vroeg of ze in zijn tijd al aan crime scene management deden.
'Nee, zeker,' beantwoordde hij zijn eigen vraag, 'jullie werkten liever met de natte vinger!'
'Met mijn natte vinger had ik al honderd boeven gevangen toen jij nog in een natte luier liep,' bitste Carpentier.
'U kende het slachtoffer?' kwam de onderzoeksrechter ertussen.
'Hij was mijn vriend!' zei Carpentier.
Het klonk militant, alsof hij zichzelf ergens van moest overtuigen.
'Wanneer heb je hem voor het laatst gezien?' vroeg Dewit. 'In leven dan?'
'Gisteren,' zei Carpentier, 'om halfelf, zoals bijna alle werkdagen. Halfelf rendez-vous bij het loodswezen, elf uur koffie op het Noorderterras, halftwaalf naar huis. Menno stelde prijs op accuratesse.'
Leo Dewit gniffelde: Carpentier was zelf ook behoorlijk nauwgezet.
'Menno?' vroeg de onderzoeksrechter.
'Menno Brouckmans,' zei Carpentier, 'commodore Menno Brouckmans, maar dat kan Willy De Donker jullie ongetwijfeld ook vertellen. Menno had altijd zijn identiteitskaart op zak.'
'Zie je wel,' zei die klier van een Dieltjens, 'je hebt geen flauw idee van PD-beheer. Niemand raakt tegenwoordig het slachtoffer nog aan vooraleer de sporenbeveiliging absoluut is, ook niet om in zijn zakken te zoeken naar zijn identiteit.'
De hoofdinspecteur liep op het roodwitte lint af en riep De Donker naderbij.
'Commodore,' zei de onderzoeksrechter met twijfel in zijn stem, 'een erg hoge rang… maar ik heb nooit van hem gehoord.'
'Menno was al twintig jaar gepensioneerd,' zei Carpentier. 'Hij was vierenzeventig.'
'Vierenzeventig,' herhaalde de onderzoeksrechter.
Je zag hem hoofdrekenen: geboren in negentienhonderd achtentwintig, gepensioneerd in negentienhonderd tweeëntachtig.
'Tweeëntachtig,' zei Carpentier. 'Er is dat jaar sprake van middellangeafstandsraketten op de vliegbasis van Florennes. De vredesbeweging oefent enorme druk uit op de gemeenten. Tijdens een officieel bezoek aan het Iberisch schiereiland zegt de chef van de Belgische generale staf, luitenant-generaal Willy Gontier, dat ook Spanje er goed aan zou doen de raketten op zijn grondgebied te installeren.'
'Jaja,' herinnerde zich de onderzoeksrechter, 'de generaal ging daarna op rust, geloof ik.'
'Niet alleen de generaal,' zei Carpentier, 'de hele generale staf werd van haviken gezuiverd en ook Menno werd met pensioen gestuurd. Commodore Brouckmans heeft zijn eigenzinnige mening namelijk nooit onder stoelen of banken gestoken.'
'Je insinueert dus dat hij vijanden had,' zei Dewit verveeld. 'Dat hij vijanden zou kunnen hebben.'
'Ik zeg alleen maar dat iemand als Menno nooit zelfmoord zou hebben gepleegd. En als hij dat toch zou doen, dan schoot hij zich in de mond, zoals jij en ik dat zouden doen: proper en efficiënt!'
'De kogel drong binnen onder het jukbeen. Zelfde effect als een mondschot: knal, recht in de hersenstam, einde verhaal!'
De jonge commissaris van Moordzaken was naar zijn mening onterecht ter plaatse geroepen. Zelfdoding, zelfs als de omstandigheden verdacht waren, was werk voor de lokale politie. Als federaal commissaris zou hij hier hooguit als waarnemer moeten zijn en niet als case officer. En waarom was er meteen al een onderzoeksrechter opgeroepen?
'Heb jij het parket gebeld, John?' vroeg hij achterdochtig.
'Nee, dat heeft Willy De Donker gedaan… ik ben gepensioneerd!'
'Maar je hebt Willy wel aan zijn hoofd lopen zeuren: mijn vriend pleegt geen zelfmoord, mijn vriend…'
'Zelfdoding is een vlucht,' zei Carpentier. 'Menno was geen vluchter, integendeel!'
'Soms is het eerder een redelijke keuze dan een vlucht,' argumenteerde Dewit. 'Stel dat hij kanker had, of dat hij geestelijk begon af te takelen…'
'Laten we in ieder geval maar een lijkschouwing houden,' besliste de onderzoeksrechter. 'Een commodore, daar komen de media op af!'
*
Het was koud, maar voor één keer was de lucht schoon genoeg om diep door te ademen. Carpentier zette de kraag van zijn jekker rechtop en ging zitten. Niets wees er op dat hier een week geleden een mens was gestorven. De activiteiten op het pleintje beperkten zich tot de alledaagse routine. Mannen in uniform en burgerpersoneel gingen aan boord van een politieboot en anonieme mannen en vrouwen liepen de kantoren van het loodswezen in en uit.
Als hij dat zou willen, zou hij zichzelf kunnen wijsmaken dat er niets was gebeurd, dat hij hier gewoon op Menno zat te wachten.
'Is dat een Duitse zeemanspet?' vroeg Dewit, quasi geïnteresseerd.
'Nee,' zei Carpentier krikkel, 'dat is een Griekse zeemanspet. Ben je bij de lijkschouwing geweest?'
Dewit veegde met zijn hand over de bank en trok de pijpen van zijn designerjeans een eindje op, voor dat hij ging zitten. Carpentier zei niets, zijn vroegere assistent was altijd al een beetje precieus geweest.
'Ik dacht al dat ik je hier zou vinden,' zei de jonge commissaris. 'Hoe gaat het met je, John? Ik bedoel met het pensioen en alles!'
Carpentier had zijn blik op de rivier gevestigd: de slijkbanken aan de overkant, de bocht waarlangs de schepen uit het gezicht verdwenen.
'Weet je', zei hij, 'dat je nooit meer een pleintje als dit vindt, eens dat je voorbij die bocht bent? Hier zitten kijken, een kwartiertje per dag, dat is goed voor de ziel. Dat zou je elke dag moeten doen… zonder te wachten op je pensioen!'
'Heb je hem hier ontmoet?' vroeg Dewit, 'Menno?'
Carpentier knikte. Niet te geloven dat het pas een paar weken geleden was dat hij de commodore ontmoet had, een onopvallende man, blootshoofds in de scherpe winterwind. Hij was rechtstreeks afgemarcheerd op het bankje waar Carpentier altijd op neerstreek, vroeger lang niet vaak genoeg, tegenwoordig elke dag.
'Wist je dat hier ooit een pispaal stond?' had Menno gevraagd, plompverloren, recht voor z'n raap.
Carpentier had er om moeten lachen, hij had altijd gedacht dat hij de enige was die hem zich herinnerde, die gietijzeren lantaarnpaal waar een urinoir was in ondergebracht, dat zo smal was als een doodskist.
Een half uur later waren de twee mannen vrienden geworden. Waar hadden zij het die eerste keer over gehad? Plasproblemen als je ouder werd. Nog iets?
'Liberty Ships!' zei Carpentier luidop.
Leo Dewit bekeek zijn voormalige baas van hoofd tot voeten. De Griekse zeemanspet, de marineblauwe jekker… Carpentier had als jongen op de Schelde gezeild en in een onbewaakt ogenblik had hij zijn assistent ook toevertrouwd dat hij vroeger dekofficier had willen worden bij de lange omvaart. Vroeger? Een halve eeuw geleden, verdomme!
'Ik ben bij de obductie geweest,' zei de jonge commissaris. 'De lijkschouwers hadden veel te doen en de commodore stond niet bepaald boven aan de lijst. Maar één ding is duidelijk: Menno Brouckmans is van vlakbij doodgeschoten, een contactschot. Ik wil niet helemaal uitsluiten dat iemand anders dat schot heeft gelost, maar zowat iedereen is het eens over zelfdoding. Sorry, John!'
'Een karabijn punt tweeëntwintig met een geluidsdemper,' zei Carpentier, 'is dat het wapen van een zelfdoder?'
'Als je het leven beu bent, is alles goed wat je om zeep kan helpen. Je weet net zo goed als ik dat vuurwapens van klein kaliber het favoriete speelgoed van de Belg zijn.'
'Van de modale Belg. Menno had minstens twee pistolen, zijn oude dienstwapen, een GP negen millimeter, en een revolver Colt Cobra, kaliber punt achtendertig.'
'O,' zei Dewit, die zijn notitieboekje had getrokken, 'die hebben wij niet bij hem gevonden. Kwam jij wel vaker bij hem thuis?'
'Eén keer, nog geen week geleden. Hij wilde mij zijn verzameling Liberty Ships laten zien.'
'De schaalmodellen, ja. Hij had er wel tien. Rare hobby! Als het nu nog zeilschepen waren, maar Liberty's. Die zijn toch allemaal hetzelfde, niet?'
'Tijdens de oorlog in Korea, had hij er op één gevaren. Hij was pas tot vaandrig bevorderd, en hij werd gedetacheerd als verbindingsofficier aan boord van de USN Thomas Jefferson, een troepentransportschip. Daar verdiende hij zijn eerste ereteken, de Korean Service Medal, en hij kwam terug als luitenant-ter-zee.
'En hij raakte bezeten van het schip waarop zijn carrière begon!' knikte Dewit.
'Het casconummer van de Jefferson was honderd vijfenzeventig, de kiel werd gelegd op achttien juli éénenveertig en het schip werd te water gelaten op zeven december van datzelfde jaar… als je wilt kan ik je ook haar diepgang vertellen en het verschil in kaliber tussen de kanonnen op haar voor- en achterdek. Menno's hoofd zat vol precieze informatie.'
'Dat van jou anders ook wel. Ik wist niet dat schepen je zo buitenmate interesseerden.'
'Ik ben geïnteresseerd in mijn stad, Leo en dus ook in schepen. Als je, nog maar een paar generaties terug, op ditzelfde plekje had gestaan, dan had je ze allemaal samen gezien: de laatste zeilschepen, de eerste dieselmotorschepen, zelfs de Sint-Annekesboot met schoepraderen…'
'De Liberty's ook, zeker?'
'In vierenveertig was Antwerpen de enige continentale haven die in staat was min of meer normaal te werken. Als er ergens Liberty's te zien waren, dan was het hier. De Amerikanen bouwden ze sneller dan de Duitse U-boten ze konden kelderen. Tweeduizend zevenhonderd en tien zijn er te water gelaten en zij hebben oorlogsmateriaal en troepen vervoerd over alle zeven zeeën. De onderdelen werden in de hele VS geprefabriceerd en ze werden in elkaar gezet alsof het personenauto's waren en geen monsters van meer dan honderd tweeëndertig meter lang.'
De jonge commissaris had Carpentier tersluiks in het oog zitten houden en diens enthousiasme kwam enigszins geforceerd over. Shock? Slachtoffers van verkeersongelukken reageerden vaak net zo. Terwijl er naast hen een zwaargewond familielid lag, stortten zij een waterval van nietszeggende informatie over de hulpverleners uit. Alsof het mechaniekje was gebroken dat de woordenvloed kon stuiten.
'Heb jij nog verwanten van Menno Brouckmans ontmoet?'
Carpentier maakte een plotse beweging met het hoofd, alsof hij bruusk naar de realiteit moest overschakelen.
'Hij was weduwnaar, hij had alleen nog een kleinzoon, maar die zag hij niet meer. De jongen was verkeerd gelopen, zoals Menno dat uitdrukte.'
'Elza vraagt of jullie nog eens komen eten,' zei Dewit, terwijl hij in zijn boekje zat te schrijven. 'Kun je meteen Bobje nog eens zien!'
Met gespreide armen, trok Carpentier de schouders op.
'Ze heeft al met Linda gebeld,' voegde Dewit er aan toe. 'Je vrouw zei dat jullie niks anders te doen hebben, op zondag!'
'Bob zal wel gegroeid zijn,' zei Carpentier.
Dewit stond recht en stofte met beide handen zijn zitvlak af.
'Sorry, John,' zei hij, 'ik weet dat ik je heb verwaarloosd, maar ik moet nu eenmaal werken. Linda komt Elza regelmatig bezoeken, waarom kom je dan ook niet mee?'
'Ik wed dat er geen vingerafdrukken zaten op die karabijn!' zei Carpentier.
'Nee, daar heb je gelijk in, maar de commodore droeg dan ook handschoenen, geen wonder bij dit weer.'
'Menno droeg nooit handschoenen. Geen hoed, geen sjaal, geen handschoenen. En elke ochtend douchte hij koud!'
'Gretverderrie,' griezelde Dewit, 'een stiptheidsmaniak, die trivia rondstrooit over schepen die allang niet meer bestaan en die 's ochtends ook nog onder een koude douche gaat staan. Niet bepaald het soort man waar ik jou mee op zie trekken. Wat sprak je eigenlijk zo in hem aan?'
Carpentier dacht een hele minuut lang na. Dan haalde hij zijn schouders op.
'Hij was een zeeman,' zuchtte hij.
*
De aanwezige hoeren, pooiers en onduidelijke jongelui keken dwars door de zeemansoutfit van de figuur, die in het deurgat stond van de Taverne Athena. Pas op, politie!
Een vrouw van een jaar of veertig, die een jeans droeg en een slobbertrui, was de enige die een naam kon plakken op het algemeen gevoel van onbehagen.
'Wie we daar hebben, commissaris Carpentier!'
'Adeline, lang geleden gezien!'
Eén trekje hadden straathoekwerkers alvast gemeen met hun cliëntèle: zij waren niet bepaald dol op politiemannen. Carpentier voelde dan ook blikken in zijn rug. Maar toen Adeline een stoel vooruit schoof met het tipje van haar laars, werden om hen heen de conversaties hervat.
'Laat die commissaris er maar af,' zei Carpentier, 'ik ben gepensioneerd.'
'Goed,' zei Adeline, 'dan hoef ik je deze keer niet te herinneren aan artikel vierhonderd achtenvijftig van het wetboek van strafrecht.'
'Hee, heb ik ooit van je gevraagd om je beroepsgeheim te schenden?'
'Ja,' zei de vrouw, 'meer dan eens!'
Carpentier grinnikte. Hij gebaarde naar de tapkast dat Adeline aan een nieuwe ouzo toe was en bestelde een pintje voor zichzelf.
'Er is een vriend van mij vermoord,' zei hij. 'De politie denkt dat het zelfmoord was, maar daar geloof ik niets van.'
'De oude Menno?'
'Kende je hem? Hoe…'
'Doe niet zo verwonderd, John. De commodore woonde op vijftig meter van hier en hij is tweehonderd meter verderop aan zijn eind gekomen. Het is toch logisch dat je weet wat er met je buren gebeurt.'
Er gaapte weliswaar een onoverbrugbare kloof tussen de krotten van het Schipperskwartier en de nieuwe luxeflats aan de Scheldekaaien, maar in meters en centimeters was de afstand inderdaad erg klein.
'Ik kan me niet voorstellen dat Menno die mensen hier…'
'De oude Menno kwam zijn kleinzoon geregeld uit de kroeg halen. Dan stond hij in het deurgat en wees met zijn vinger naar buiten, als een soort aartsvader uit het Oude Testament. Eén keer heeft hij de jonge Menno zelfs gewoon in zijn kraag gepakt en manu militari de deur uitgesleept.'
Carpentier glimlachte. Hij had de commodore vaak zien gebaren als een engel der wrake. Dan vaarde hij uit tegen de slapjanussen van het gerecht en de jaknikkers van de legerleiding.
'Ik ben toen met hem gaan praten,' zei Adeline, 'bij hem thuis. Weet je dat hij daar wel tien van die grote aquariums heeft staan met scheepsmodellen er in? Allemaal gelijke schepen, trouwens!'
'Niet gelijk, gelijkaardig!'
'Hij schonk mij een glas port in en hij luisterde beleefd naar mijn verhaal. Daarna zei hij - ik vergeet zijn woordkeuze van mijn leven niet - dat hij zich verstoutte om beschaafd met mij van mening te verschillen voor wat de opvoeding van de jonge Menno betrof.'
'En even later stond je weer op straat?'
'Nee, gek genoeg niet. Ik bleef nog wel een uur met hem napraten. Niet meer over zijn kleinzoon, dat onderwerp was afgesloten wat hem betrof. Hij vertelde over zijn jeugd en hoe hij altijd naar zee had gewild, maar dat hij eerst zijn middelbare school had afgemaakt uit respect voor zijn vader, een textielbaron uit het Waasland. Hij wilde alles weten over het straathoekwerk en toen ik hem vertelde dat ik vroeger zelf in de prostitutie had gezeten, feliciteerde hij mij. Hij bewonderde mij, zei hij en, als dat in zijn vermogen lag, wilde hij helpen. Hij heeft ook inderdaad geld geschonken aan het buurtwerk, maar dat is bij één keer gebleven. Hij vond dat zijn schenking hem het recht gaf de lakens uit te delen in het buurtcomité.'
'Heb je hem nog teruggezien?'
'Een paar keer, ja. Als ik hem op straat tegenkwam, groette hij mij altijd plechtig en één keer hield hij mij staande. Toen was gebeurd wat ik hem had voorspeld: zijn kleinzoon was van huis weggelopen.'
'De jonge Menno woonde bij zijn grootvader?'
'Ja, natuurlijk, wist je dat dan niet? De zoon en de schoondochter van de commodore zijn omgekomen in een auto-ongeluk toen de jonge Menno zes jaar oud was. Dat was in negentig. De commodore en zijn vrouw namen het kind in huis en in zesennegentig kreeg de grootmoeder kanker. Toen zij twee jaar later stierf, was de jonge Menno daar kapot van.'
'De oude Menno waarschijnlijk ook,' zei Carpentier.
'Ja,' knikte Adeline, 'maar die was een geharde houwdegen en geen kwetsbare puber.'
'Menno kon zijn kleinzoon niet opvangen,' raadde Carpentier.
Adeline blies een grote wolk sigarettenrook uit. Zij stak daarbij haar onderlip naar voren, zodat de rook schuin omhoog dreef, weg van het glas dat zij op hetzelfde moment oppakte.
'Eén keer heeft hij geprobeerd met de jongen te praten. Hij zei dat die flink moest zijn. Kun je je dat voorstellen? Je hebt je vader en je moeder verloren, je grootmoeder wordt je grote toeverlaat en ook die gaat dood, op een afschuwelijke manier nog wel. Alles wat je overhoudt is een afstandelijke oude man, die niets beters kan bedenken dan dat je flink moet zijn.'
'Je vergeet dat de oude Menno zelf zwaar getroffen was: eerst raakt hij zijn zoon kwijt, daarna zijn vrouw. Die zoon had een schitterende toekomst voor zich, hij was begonnen aan een carrière die de loopbaan van de commodore wellicht zou overtreffen…'
'En de jonge Menno volgde niet hetzelfde spoor. Voor hem geen militaire school en geen maritiem enthousiasme. Na een paar jaar kadaverdiscipline en een overdosis koude douches, ging hij er dus vandoor. Uiteraard kwam hij terecht in het milieu waar alles mocht wat bij hem thuis verboden was… en waar hij een knuffel kon vinden als hij daar behoefte aan had.'
'Een knuffel,' lachte Carpentier. 'Van een ouwe hoer met een gouden hart, zeker?'
De straathoekwerkster knikte kortaf en begon haar spullen bij elkaar te pakken.
'Precies, commissaris,' zei ze. 'Of leren ze bij de flikken niet dat smartlappen de waarheid vertellen?'
'Eén ding nog,' Adeline,' zei Carpentier terwijl hij naar zijn kontzak tastte om de rekening te betalen. 'De commodore zei dat zijn kleinzoon verkeerd gelopen was. Weet je wat hij daarmee bedoelde? Gewoon maar dat hij een zwerversbestaan leidde? Of was er meer?'
'Er is altijd meer,' zuchtte Adeline. 'Zelfs gewoon maar wat rondhangen kost namelijk geld. Eerst komen de schulden, dan de kleine diefstalletjes en de eerste inbraakpoging. Er zijn er die dealen, er zijn er die auto's kraken…'
'En Menno?…'
De straathoekwerkster glimlachte. Het viel Carpentier op dat zij een bijzonder grote mond had met charmant omhoog krullende mondhoeken. Hij vroeg zich af hoe zij er uit zou zien als zij make-up zou gebruiken.
'Dat, commissaris,' zei ze, 'moet je aan de politie vragen!'
*
'Eén partiële vingerafdruk,' gaf De Donker schoorvoetend toe. 'Die zat op één van de patronen in de lader. De karabijn zelf was absoluut clean!'
'Was de vingerafdruk van de commodore?'
'Nee dat niet… maar hij kan van iedereen zijn, van de bediende in de wapenwinkel waar de patronen gekocht zijn, voor mijn part van de agent die de eerste vaststellingen deed!'
'En de karabijn zelf was helemaal schoon, is dat niet een beetje eigenaardig?'
'Niet als je het wapen eerst een onderhoudsbeurt geeft, het daarna met een olielap afveegt en het pas weer oppakt als je handschoenen aanhebt om uit te gaan.'
'O ja, die handschoenen, zaten daar kruitsporen op?'
'Het gaat om een grendelgeweer, John. Je moet iedere keer doorladen om de volgende patroon in de kamer te krijgen. De enige weg waarlangs gassen kunnen ontsnappen, is langs de monding en daar zat ook nog een geluiddemper op! Bovendien… je weet hoe het is met residutests: nitraatsporen vervluchtigen. Alleen al het feit dat de wetsdokter de handschoenen heeft vastgepakt… De commodore zat ook nog buiten in de frisse lucht en er stond een flinke wind…'
'Er zaten dus géén kruitsporen op de handschoenen!'
'John, ik heb pas een week na de zelfmoord de tijd gevonden om ze te onderzoeken, de zaak had niet bepaald voorrang!'
'En op een week tijd zijn alle kruitresten natuurlijk vervluchtigd. Goed werk, Willy, proficiat!'
'John, we hebben jaren lang samengewerkt en we konden al die tijd goed met elkaar opschieten omdat ik me niet met jouw zaken bemoeide en jij mij ook niet voor de voeten liep. Zullen we dat misschien maar zo houden?'
'Menno Brouckmans…'
'Ik doe waar ik voor betaald word, John: vaststellingen verrichten en de resultaten van die vaststellingen doorgeven aan mijn opdrachtgevers. Die trekken dan op hun beurt de conclusies die moeten getrokken worden. Als je iemand aan zijn oren wilt zeuren, moet je dus niet bij mij zijn, maar bij de case officer. Je weet wie dat is! Ik ben overigens op weg naar hem toe, als je dus zo vriendelijk wilt zijn op te hoepelen!'
De labdeskundige pakte een aluminiumkoffertje, dat op een stoel had gelegen, en hield uitnodigend de deur open.
Carpentier trok peinzend aan zijn onderlip. Misschien had Willy wel gelijk en had Menno gewoon zelfmoord gepleegd. Er waren tenslotte geen harde aanwijzingen voor moord. Alleen afwezigheden: geen vingerafdrukken op de karabijn, geen kruitsporen op de handschoenen, geen afscheidsbrief. In het appartement van de commodore was ook niets aangetroffen dat een aanwijzing zou kunnen zijn. Ook daar was niets verdachts aanwezig, alleen afwezig: twee pistolen, die er zeker waren geweest, want Carpentier had ze zelf gezien.
'Kan ik met je meerijden?' vroeg hij.
'Nog altijd geen nieuwe auto?' lachte Willy De Donker.
'Nee,' zei Carpentier, 'ik weet niet of ik er nog aan begin.'
Bijna een jaar geleden was zijn oeroude Golfje diesel uitgebrand, en sindsdien had hij zich aardig weten te redden met het openbaar vervoer. Alleen als zij de stad uitmoesten, wilde Linda wel eens mopperen, maar dan zei hij dat ze de volgende keer een auto zouden huren, een uitvlucht waar zijn vrouw telkens weer intrapte.
'Hier heb je tenminste een goed uitzicht op het verkeer,' vleide Carpentier, nadat hij zich hijgend in Willy's busje had gehesen.
'Ook al twee keer rond geweest,' pochte die, op de kilometerteller wijzend.
'Sorry, Willy,' zei Carpentier na een tijdje, 'ik wilde niet vervelend doen!'
'Ach,' zei de labdeskundige, 'trek er je maar niets van aan, jong. Als ik met pensioen zou moeten, zou ik mij ook behoorlijk opgelaten voelen!'
Carpentier ging er niet op in. Wat kon hij ook zeggen? Dat hij zijn werk geen moment miste? Dat hij best verder kon leven zonder de stank van ontbindende lijken en zonder de nooit aflatende druk van de opeenvolgende betweters, die verantwoordelijk waren voor de politiehervorming?
'In het begin liet ik de wekkerradio op zeven uur staan,' zei hij. 'Dan lachte ik mij een kriek over de files in de ochtendspits. Al die loonslaven op weg naar hun dagelijkse portie onvrede en ik die mij nog eens omdraaide!'
'Zul je wel gauw beu geworden zijn,' zei De Donker.
Hij trok de handrem aan en keek ongeduldig toe hoe zijn passagier onhandig uit de hoge zitplaats klauterde. Werd de ex-commissaris echt oud of was hij alleen maar een beetje te dik?
'Je moet wat om handen hebben,' zei Carpentier. 'Ik hou mij met de scheepvaart bezig. Boeiend!'
'Ja,' zei De Donker, met een schuine blik naar de schipperspet en de marineblauwe jekker. 'Wacht je hier, of wat?'
'Nee, ik ga mee. Als er iemand een opmerking maakt, zeg je maar dat ik een getuige ben!'
*
De jongen had meer piercings dan een kermisfakir. Zijn haar was hot pink van kleur en hij was gekleed in lompen.
'Toch lijkt hij op zijn grootvader,' zei Carpentier.
Dewit grinnikte vreugdeloos. Zijn voormalige baas deed hem denken aan de bejaarde vrienden van zijn ouders, die zijn zoontje al uitgesproken familietrekken toekenden, ook al was die nog maar een paar weken oud.
'Ik heb hem daar al drie uur zitten,' zei hij. 'Ik ga er maar eens aan beginnen!'
'Fantastisch,' zei Carpentier. 'Je bent natuurlijk zelf ook dieper op de zaak ingegaan… had ik eigenlijk kunnen weten!'
'Het waren de handschoenen,' zei Dewit. 'Die waren gestolen!'
'Gestolen?'
'Ja,' zei de jonge commissaris, 'let maar eens op!'
Carpentier keek gefascineerd toe hoe de jongen opschrok toen Dewit het vertrek binnenkwam en mee aan tafel ging zitten, centraal in beeld van de vier camera's, die elk hun eigen monitor hadden in het zijvertrek waar Carpentier achterbleef.
'Ik ben commissaris Leo Dewit,' kwam de stem uit de luidspreker, 'het is zeventien uur twaalf. Inspecteur Albert Verminnen is eveneens aanwezig.'
Carpentiers blik dwaalde onwillekeurig af naar de onbeweeglijke figuur, die op een stoel bij de deur zat, maar de inspecteur deed of hij zijn naam niet gehoord had.
'Voor het rapport,' ging de commissaris verder, 'uw volledige naam, geboortedatum en adres!'
'Brouckmans, Menno, Marnix,', antwoordde de jongen gewillig. 'Geboren op achttien juni negentienhonderd drieëntachtig, woonachtig: Orteliuskaai…'
'Neeneenee,' onderbrak Dewit, 'dat is je vroegere adres, Menno, daar woonde je met je grootvader. Dat is niet het adres waar we je hebben opgepakt!'
'Ik heb nog geen tijd gehad om mijn identiteitskaart te laten wijzigen.'
Dewit liet een wegende stilte vallen. In de beslotenheid van het zijkamertje, knikte Carpentier goedkeurend. De eerste onwaarheid al meteen goed laten inwerken!
'Dat is een wetsovertreding,' zei de commissaris na een tijdje. 'Je moet adreswijzigingen melden binnen een redelijke termijn. Een heel jaar is geen redelijke termijn!'
'Oké,' sneerde de jongen, 'schrijf maar een bon, kan ik mijn verzameling mee aanvullen!'
'Een bon? Ik wil hier geen kruideniersgrapjes vertellen, Menno, maar vind je het erg als het wat meer is?… Vind je het zelf niet merkwaardig dat je ons niet kunt vertellen waar je was op de ochtend dat je grootvader stierf?'
'Ik heb u gezegd dat ik zat was, ik lag in bed mijn roes uit te slapen!'
'Niet bij je vriendin, want die had je niet meer gezien sinds de avond tevoren!'
'Bij de één of de ander dan… ik, euh… ik gebruik nog wel eens wat anders dan alcohol en dan weet ik het soms niet zo goed meer!'
'Vijfentwintig jaar dwangarbeid,' zei Dewit rustig. 'Of, als het wat tegenvalt, levenslang!'
Op het scherm schichtte de vlammende haardos heen weer als was het de kam van een zenuwachtige haan. Dan stond Menno Brouckmans langzaam recht. Zijn vinger wees naar de ogen van Dewit.
'Vijfentwintig… levenslang… hee, maatje wat probeer je mij hier te flikken?'
Carpentier schudde spijtig het hoofd. De jongen vertoonde al de branie van het boefje, dat hij ongetwijfeld was, maar zijn tongval verraadde het ietwat gemaakte Nederlands van de commodore.
'Voor de inbraak in de Ganterie Boon ben je de sigaar, Menno, we hebben niet alleen de bekentenis van je vriendin, we hebben de helft van de buit teruggevonden onder jullie bed.'
'Zij is mijn vriendin niet meer!'
'En in die handschoenenwinkel ben je zeker ook niet binnengebroken, terwijl je al maanden handschoenen probeert te slijten in de cafés van het Schipperskwartier.'
'Die handschoenen heb ik gekocht van een Turk op de Vogelenmarkt!'
'Ja,' lachte Dewit, 'dat zal wel!… Afijn, je ziet maar of je je daar kunt uitkletsen. Ik ben hier niet voor kruimeldiefstalletjes!'
Weer die verstikkende stilte. Carpentier moest toegeven dat zijn voormalige assistent zich aardig uit de slag trok. Veel zou afhangen van zijn volgende zet.
'Die moord,' zei Dewit op rustige toon, 'dat is veel vervelender… kon je opa's erfenis niet gewoon afwachten?'
De jongen bleef onbeweeglijk zitten. Jammer! Opgewonden ontkenningen waren veel voordeliger voor de ondervrager. Die kon dan een verhitte discussie uitlokken, zodat de verdachte ruim de kans kreeg zich te verstrikken in tegenstrijdige leugens.
'Afijn, ik zeg moord,' zei de commissaris. 'Misschien was het helemaal geen moord, misschien was het een ongeluk. Je komt daar aan met een geweer in je hand, je grootvader had al eerder geweld tegen je gebruikt… Er wordt wat heen en weer getrokken, misschien valt er een enkele klap en poef!…'
Menno Brouckmans haalde luidruchtig zijn neus op. Carpentier dacht meteen aan de drupneus van een cocaïnegebruiker, maar het was geen natte snottebel geweest, eerder een geringschattend snuiven.
'Meneer de commissaris,' zei de jongen neerbuigend, 'ik weet niet waar u het over heeft. Mijn grootvader had mij onterfd, of hij had tenminste zijn nalatenschap beperkt tot het minimum dat de Belgische wet toelaat!'
'O,' zei Dewit, 'hoe komt het dan dat wij geen testament hebben gevonden. Heb je dat laten verdwijnen misschien?'
Menno schudde heftig het hoofd, maar deed er verder het zwijgen toe.
'Wel,' argumenteerde Dewit op redelijke toon, 'ik moet je helaas meedelen dat er nogal wat omstandigheden zijn, die je in een heel onaangename situatie kunnen brengen. De handschoenen bijvoorbeeld, die op het lijk van de commodore zijn aangetroffen… die waren splinternieuw, aan de binnenkant zat nog een klein stickertje met het nummer vierendertig erop…'
'O ja?'
De hooghartige blik was niet van Menno's gezicht geweken, maar camera drie onthulde dat de jongen onder tafel zijn handen krampachtig in elkaar klemde. Carpentier dacht dat hij het vervolg wel kon raden.
'Als je de moeite had genomen om de binnenkant te bekijken van de handschoenen uit de doos, die je bij Boon hebt meegenomen, zou je overal datzelfde stickertje hebben gevonden.'
'Oké,' zei Brouckmans, 'ik beken. En kan ik nu misschien een kopje koffie krijgen?'
'Waar had je dat geweer vandaan?' vroeg Dewit. 'Van je grootvader gekregen?'
'Commissaris,' zei de jongen, 'ik beken dat ik die kraak heb gezet in die handschoenenwinkel. Ik beken dat ik één schitterend paar gestolen pecari's aan mijn grootvader cadeau heb gedaan. Ik weet dat het in België nooit zo hard kan vriezen dat commodore Brouckmans handschoenen moet aantrekken, maar het was kerstmis en ik had niks anders om te geven. Wat dat geweer betreft, dat heb ik inderdaad van mijn opa gekregen, maar toen ik bij hem ben weggelopen, heb ik het niet meegenomen. Ik heb het al minstens een jaar niet meer gezien!'
'O,' zei de commissaris, 'hoe merkwaardig dan… dat wij je vingerafdruk hebben aangetroffen op één van de patronen!'
*
Na de uitzonderlijk ijzige maand maart, was een abnormaal milde april gekomen. Nu was het mei en het regende.
Carpentier stond in de hal onzeker aan een dunne zomerregenjas te voelen.
'Er was een tijd dat je wist wat je moest aantrekken als je de juiste weerspreuk kon citeren,' mopperde hij. 'Dat moet ontzettend handig zijn geweest.'
'Niet zeuren, John,' zei zijn vrouw. 'Als je het koud hebt, trek je een winterjas aan en je neemt een paraplu mee!'
Linda Carpentier ging bij het raam staan wachten tot haar man beneden buitenkwam, een logge figuur die een beetje gebogen liep onder de tweepersoonsparaplu. Het ging niet goed de laatste tijd. John was depressief. Het gepensioneerd zijn op zich leek nog wel te lukken, het was niet zozeer zijn werk dat hij miste, als de sociale contacten die bij zijn vroegere job hoorden. En de dood van zijn nieuwe vriend Menno had hem sterk aangegrepen. Te sterk!
Linda liep naar de salontafel, waar John het knipselalbum had laten liggen dat hij had aangelegd over de zaak Brouckmans. Op de eerste pagina ging zij aan het artikel van vandaag voorbij. 'Raadkamer verlengt aanhoudingsmandaat Menno Brouckmans', had zij bij het ontbijt gelezen. Twee maanden zat de jonge Brouckmans nu in voorarrest en de kranten hadden hem vanaf het begin zwaar aangepakt. 'Jonge nietsnut schiet opa dood' was nog één van de vriendelijke koppen. Zelfs de kwaliteitskranten voelden zich blijkbaar geroepen om al de bezwarende feiten één voor één uit te spellen: de vingerafdruk op één van de patronen, de gestolen handschoenen die de commodore nooit vrijwillig zou hebben gedragen, het verdwenen testament, het ontbreken van een afscheidsbrief, de loze bewering dat Menno zijn opa met kerstmis handschoenen cadeau zou hebben gedaan, terwijl hij toen al niet meer thuis woonde…
Merkwaardig dat haar man steeds zenuwachtiger werd naarmate de kleinzoon van zijn vriend meer in het nauw geraakte. In het begin had hij het steeds over 'die waardeloze snotneus met zijn punkhaar', maar nu de media het proces van de jongen al hadden gevoerd voor dat er een assisenjury kon bijeen geroepen worden, haalde zijn gevoel voor rechtvaardigheid de bovenhand.
'De jongen is niet sympathiek,' had hij vanmorgen nog gezegd, 'maar dat is geen reden om hem zonder meer aan de schandpaal te nagelen!'
'Maar hij heeft je vriend vermoord!' had Linda verbaasd geantwoord.
'Dat zal de openbare aanklager nog moeten bewijzen,' had John geroepen, 'en als je het mij vraagt zal dat niet vanzelf gaan. Er zijn alleen maar verdenkingen, geen doorslaggevende bewijzen!'
Daarna was hij naar de vestiaire gelopen, waar hij had staan mopperen over het weer.
Linda pakte hoofdschuddend haar viool en begon met gesloten ogen aan de ouverture van 'Cosi fan tutte'. Mozart was balsem voor het gemoed! Na een paar minuten al voelde zij haar nekspieren ontspannen en even later sloeg zij zonder wroeging een stuk over. Zij had haar beroep als eerste violiste in het orkest van de Vlaamse opera pas een half jaar geleden opgegeven en nu al raakte zij haar repertoire kwijt, maar het kon haar niet schelen. Zij had haar beroep altijd graag uitgeoefend, maar een kunstenares had zij zich nooit gevoeld, hoe hoog John haar ook had opgehemeld. De speelse Wolfgang Amadeus had er wellicht om kunnen lachen: zij had een onmiskenbaar muzikaal talent, maar haar hart had zij verloren aan een andere bezigheid, de magische kunst van het koken.
Toen Carpentier even later thuiskwam, al een heel eind opgeknapt door de fikse wandeling die hij had gemaakt, vond hij zijn vrouw dan ook niet bezig met haar viool, maar met een vervaarlijk groentemes van Japanse makelij.
'Courgettes,' zei ze, 'voor in de risotto!'
'Natuurlijk,' riep John, 'kleine pompoen, tien letters: courgette. Is daar eigenlijk geen Nederlands woord voor?'
Naast het verslinden van literatuur over de scheepvaart, was ook puzzelen bij de hobby's van haar man gaan behoren.
'In Holland zeggen ze zucchini,' zei Linda. 'Trek maar een flesje wijn open!'
Toen Carpentier, met zijn leesbril op de punt van zijn neus, etiketten bestudeerde in zijn tweedehandse wijnkoelkast, ging de bel.
'Shit,' riep Linda, 'ik ben de rijst al aan het sauteren, ik kan nu geen bezoek gebruiken!'
Haar man meldde zich aan de deurtelefoon en even later hoorde zij het knarsen van de oude lift.
'Wie is het?' riep zij, maar zij kreeg geen antwoord.
Toen John de keuken weer binnenkwam, stond zijn gezicht verbijsterd.
'Aangetekend per drager,' zei hij. 'Notaris Nicaise uit Sint-Niklaas, nooit van gehoord!'
Hij bekeek achtereenvolgens de voorkant en de achterkant van de dikke bruine envelop, alsof hij één of ander merkteken verwachtte dat alles duidelijk zou maken.
'Dek nu maar eerst de tafel,' zei Linda, 'we kunnen zo meteen eten!'
Zij roerde zonder onderbreking, scheutjes bouillon toevoegend naarmate het mengsel van rijst en goudbruine courgetteschijfjes droger werd.
Haar man liep naar het bureautje dat in de woonkamer tegen één van de muren stond en pakte een Afghaanse dolk, die dienst deed als briefopener.
'John!' riep Linda.
'Oké, oké,' bromde Carpentier.
Hij legde de envelop op zijn stoel, met de dolk er bovenop, en begon te dekken. Toen zij even later gingen eten, lag de brief demonstratief op de fruitschaal, die een vast plekje op de keukentafel had.
'Perfect,' loofde John, 'al dente maar romig!'
Linda glimlachte vertederd. Als kok was haar lieverd niet veel waard, maar hij wist goed eten op prijs te stellen.
'Doe je hem niet open?' vroeg zij, toen zijn blik steeds vaker in de richting van de fruitschaal ging.
'Verdomme!' riep Carpentier, toen hij de dolk had laten flitsen. 'Die Nicaise is de notaris van de familie Brouckmans.'
Er viel een dubbelgevouwen A4-tje uit de bruine envelop, die verder nog twee witte omslagen bevatte.
Notaris Pierre Nicaise achtte het een eer dat hij hierbij, volgens de wensen van wijlen commodore Brouckmans, twee documenten mocht overmaken aan de heer commissaris Johannes Carpentier. Gedaan te Sint-Niklaas, de dertiende mei.
'Brieven van Menno,' zei John.
Hij pakte één van de twee witte enveloppen. 'Aan mijn goede vriend John' stond er in een vast handschrift. De andere envelop was niet geadresseerd. Linda scheurde ze ongegeneerd open met haar wijsvinger.
'Mijn laatste wil en testament,' zei ze, 'hier zul je het hebben!'
Haar man had een handgeschreven brief van drie velletjes te voorschijn gehaald. Met een bleek gezicht verdiepte hij zich in de tekst.
'Hij laat alles na aan zijn kleinzoon,' zei Linda.
'Beste John,' zei het handschrift van zijn dode vriend, 'als ik met de deur in huis mag vallen: ik heb je gebruikt!'
'Hij heeft zelfmoord gepleegd en het expres op moord laten lijken,' zei Carpentier na enige tijd.
Zijn gezicht stond uitdrukkingsloos van de ingehouden woede.
'Al die sporen, die in de richting wezen van zijn kleinzoon, heeft hij één voor één geregisseerd: de patroon met de vingerafdruk, die hij zorgvuldig had bewaard, de handschoenen waarvan hij vermoedde dat ze gestolen waren, zijn twee pistolen die hij eerst aan mij liet zien en die hij daarna in de Schelde gooide… En dan heeft hij zich koudweg in het gezicht geschoten! Hij schrijft dat zijn kleinzoon hem met kerstmis heeft bezocht en dat hij toen het plan heeft opgevat om hem in de gevangenis te doen belanden.'
'Maar waarom in godsnaam?' riep Linda.
'Hij hoopte dat het schokeffect hem zijn leven zou doen beteren,' zei haar man met een verbeten trek om zijn mond. 'En hij wist dat ik, gepensioneerde speurhond, hem met mijn verdenkingen zou helpen, de perverse smeerlap!'
'Pervers,' protesteerde Linda. 'Is het je niet opgevallen dat wij dat woord steeds gebruiken als het over een ongebruikelijke vorm van liefde gaat. Eieren produceren die je voedsel besmetten, als je ze rauw gebruikt, dat is pervers! Kinderen laten werken in de derde wereld om meer winst te maken in het westen, dat is pervers!… Hij had wellicht een rare manier om het te laten blijken, maar de commodore hield zielsveel van zijn kleinzoon, John, dat moet je toch duidelijk zijn!'
'Zijn notaris mocht de brief en het testament pas twee maanden na zijn dood aan mij doorsturen. Al die tijd heeft die kleine doorgebracht in de hel, allemaal omdat zijn opa zo zielsveel van hem hield. Als dat niet pervers is!'
'Die kleine?' lachte Linda. 'Ga je straks over zijn punkhoofd strelen, John?'
'Hij is onschuldig!'
'Dan heeft hij ook recht op het fortuin van zijn voorvaderen… en jij mag het hem gaan brengen, want je bent executeur testamentair!'
'Wàt?'
Linda wapperde met het pakje getypte velletjes, waar de commodore zijn laatste strategie in had vastgelegd.
'En zal ik je nog eens wat vertellen?'
'Ha nee, asjeblief niet!'
'Er is ook een legaat voor jou… Je hebt de Liberty's geërfd. Alle tien!'
© Piet Teigeler