'Yess!...'
Mary Willoughby schudde haar kastanjebruine manen en balde triomfantelijk een vuist. Toen de croupier de jetons haar kant opharkte, ving zij de blik van Mikey op. De steward glimlachte en daar waren zij weer: de vlinders. Hetzelfde elektrische getintel dat zij voelde toen zij hem bij de loopbrug zag staan. Dat was drie dagen geleden, in Southampton, en zij waren geliefden geworden, nog voor dat het schip de haven uitvoer.
Terwijl hij asbakken schoonmaakte met een vochtige doek, bedacht Mikey dat het deze keer gemakkelijk zou zijn. Morgen zouden zij vierentwintig uur in Antwerpen zijn, meer dan tijd genoeg om dit kippetje te plukken, het derde dit seizoen. Mooie Mary zou wel eens een prima vangst kunnen blijken en intussen kon hij op een niet onaardige manier de tijd doden: in haar bed. Mikey zette een schone asbak op het tafeltje van een blauwharige matrone en zijn blik volgde Mary, die haar jetons verzilverde en het casino uitwandelde. Het swingen van haar heupen deed zijn mond openzakken. Hij hield de poetsdoek onopvallend voor zijn kruis en wist de wetende blik van de oudere dame te vermijden.
In de lift naar A-dek, trok Mary nadenkend aan haar onderlip. Moest zij zich eigenlijk niet schamen? Zo'n lieve man en zij ging hem koudweg gebruiken! Morgen, in Antwerpen, zou welbespraakte Mikey, steward op de Northern Queen, vrolijk wuiven naar de douane en de politie, zoals hij dat iedere week deed, nu al de hele zomer. De mannen in hun blauwe uniformen zouden opgewekt grinniken en terug wuiven, terwijl Mikey de stad inliep, zoals altijd op zijn vrije dag. Maar deze keer zou hij de diamant binnensmokkelen, die Mary in de linkerzak van zijn jasje zou stoppen, terwijl haar tong langzaam langs de omtrek van zijn bovenlip zou glijden. De gedachte aan Mikey's lippen en aan de
zijige prikkel van zijn blonde snor, stuurde een verrukkelijke siddering over haar rug. Zodra zij de
ping hoorde van de schuifdeuren, draaide zij om haar as en liep naar haar hut, een deuntje lift-muzak neuriënd.
Om 21u zat Mikey's dienst erop. Zijn witte kelnersjasje was op zichzelf al genoeg om hem onbetwiste toegang tot de passagiersdekken te verlenen, maar Mikey deed de dingen graag met stijl. Hij pakte dus een dienblad en zette daar twee glazen en een gekoelde fles Moët & Chandon op. Nu nog een witte handdoek over zijn arm draperen en hij was klaar voor de lange wandeling door de gang. H-112 was een bescheiden standaardhut, maar Mary bewoonde ze helemaal alleen en dat betekende dat zij anderhalve keer de basisprijs had betaald. Zij was inderdaad een goeie vangst!
Een vermoeide cabin-steward gaf Mikey een vette knipoog en die glimlachte zelfzeker: hij kon rekenen op medeplichtigheid vanwege zijn scheepsmaat. Als er al zoiets bestond als mannelijke solidariteit, dan kwam die vooral tot uiting als je elkaar aan een wipje kon helpen. In de spiegelwand, die de achterste trap omringde, knikte hij zichzelf waarderend toe. Op zijn achtentwintigste was Mikhail Karokin heel goed bezig. Dankzij één of ander mirakel, was hij zonder kleerscheuren teruggekeerd van de Tsjetsjeense veldtocht en hij had plechtig gezworen om zich nooit meer vrijwillig voor iets te melden. Behalve dan voor de
Organisatsya natuurlijk, maar als inboorling van Avlabar, de blotnoi-buurt van Tbilisi, Georgië, was hij daar zo goed als vanzelf in beland. Het was trouwens de lokale peetvader die hem geholpen had zijn weg naar het Westen te vinden. Op een dag, ergens in de wereld, zou iemand hem ongetwijfeld benaderen om het schuldbriefje aan te bieden van de
vory v vakone, de Russische maffia. Maar dat was dan en dit was nu! Mikey balanceerde het dienblad op zijn linkerhand, streek nog snel zijn snor glad met zijn rechter en klopte op de deur.
Mary Willoughby keek op haar polshorloge en glimlachte. Haar minnaar was precies op tijd, maar zij ging rustig verder met het borstelen van haar lange bruine haar. Zij had haar
collegegeld kunnen betalen, dank zij de vrijgevigheid van vele tientallen heren en zij wist wel beter dan gretig te lijken. Ook al had zij dan een echte zwak voor déze heer.
Toen zij hem een minuut later voor de deur zag staan met die pathetische fles champagne en met die brede grijns, die zijn nervositeit moest camoufleren, wist zij dat ze verliefd was. Maar dat was geen reden om al haar kaarten op tafel te leggen. Zij kon deze kans niet voorbij laten gaan. Zij had zichzelf volkomen in bedwang en, zelfs toen zij al uitgebreid lagen te vrijen, dwaalden haar gedachten af naar de diamant en hoe die haar toekomst zou veranderen. Maar Mikey was een volleerde minnaar en na een tijdje dacht Mary, met een tevreden zucht, dat zij hem misschien maar bij haar plannen moest betrekken.
'Wist jij eigenlijk,' zei Mikey opeens, 'dat Antwerpen de wereldhoofdstad van de diamanthandel is?'
'Wát?'
Zij moest een bewuste inspanning doen om niet uit bed te springen en hem aan te staren. Was het mogelijk dat hij geraden had wat zij hier kwam doen?
'Bijna zeventig procent van de wereldproductie passeert in Antwerpen en zowat de helft daarvan wordt daar ook geslepen. De beste diamantslijpers van de wereld wonen in de oude stad bij de Schelde. Goedkope werkkrachten in landen als India, nemen stilaan de behandeling over van tweedekeus stenen voor de
massamarkten, maar de echte juwelen worden nog steeds in Antwerpen geslepen.'
Mary bleef doodstil liggen wachten. Waar ging dit in vredesnaam over? Het was gewoon niet mogelijk dat Mikey iets wist. Het dubbelgevouwen papiertje had de zeven kleine diamanten bevat, die zij meer dan een jaar geleden verkocht had in New York. Plus die ene kanjer! Niemand wist van de stenen af, behalve Mary zelf en de Canadees die ze had verloren. René of Roger of hoe hij ook mocht heten, had nooit tegen zijn verzekering gezegd dat hij zijn eigendom misschien wel in háár appartement verloren had. Hij wist wel beter dan er over op te scheppen dat hij klant was geweest bij een callgirl. God, wat had zij een hekel aan dat woord!
'Weet je,' zei Mikey. 'Ik heb een vriend die daar woont. Aan de Pelikaanstraat, midden in de diamantwijk. Hij is een heel erg goeie vakman. Als je wil, kan ik...'
Bijna lachte zij luidop. De arme schat. Hij probeerde haar een paar steentjes aan te smeren! Ook nog in Antwerpen, de plek waar zij naartoe was gekomen, niet om een diamant te kopen maar om er een te verpatsen. Een briljant die ongetwijfeld op de zwarte lijst zou staan van iedere bonafide juwelier. Zij had dus een linke diamanthandelaar nodig en een markt die zo groot was, dat ook een uitzonderlijke steen er redelijk anoniem in kon blijven. En deze schat van een minnaar van haar, had haar zojuist zowel het ene als het andere aangeboden.
Mary kroop dicht tegen Mikey aan en knabbelde op zijn oorlelletje.
'Ik hou van je,' zei ze. 'Ik hóú gewoon van je!
***
'Opgravingen hebben aangetoond,' dreunde gids, 'dat er reeds bewoning was in de Gallo-Romeinse periode, en Antwerpen werd al in de elfde eeuw een omwalde stad.'
Zij stonden op de Grote Markt, met haar schitterende renaissance-stadhuis en haar indrukwekkende gildenhuizen. Mary was pas afgestudeerd, met middeleeuwse geschiedenis als haar speciale vakgebied. Afgezien van een klein fortuin aan oneerlijk verdiend geld, verwachtte ze van haar zorgvuldig uitgekozen
Arts & Culture Cruise ook een flink pakket intellectuele voldoening. Zij kon amper wachten om een blik te werpen op het werk -en misschien zelfs de oude ateliers- van zo'n wereldberoemde schilders als Rubens en Van Dijck. Maar
first things first, dacht zij, omkijkend om te zien of alle leden van het peloton cameraklikkers haar hadden ingehaald.
Mikey proefde vergenoegd van zijn koffie en leunde achterover in zijn gemakkelijke stoel. Op het terras van de Antwerp Hilton had hij een vrij uitzicht op de Onzelievevrouwentoren en op het standbeeld van Rubens. Vlak naast de kerk, was een smalle straat, die de Antwerpenaars
Het Waaigat noemden. Dat kwam omdat de eerbiedwaardige hoogte van de gotische kathedraal er zorgde voor onvoorziene val- en stijgwinden, zelfs op een zonnige dag als deze.
Mikey grinnikte en schoof zijn stoel een beetje naar rechts. De groep van de Northern Queen kon nu elk moment arriveren. Sommige van de oudere dames zouden ongetwijfeld hoogrood aanlopen en alle moeite doen om te verhinderen dat de wind hun benen onthulde. Gek was dat; ze waren in een stad die vol adembenemende kunstwerken stond, maar de enige plek die de meesten onder hen voor altijd zouden onthouden was Het Waaigat.
Mary liep een flink eind achter haar medepassagiers. Zij deed geen enkele moeite om haar rok naar beneden te houden en de wind rond de eeuwenoude kerk nam de tijd om haar perfect figuurtje uitgebreid te strelen. Mikey keek met een hongerige blik, maar hij bleef zitten tot hij haar de trap zag nemen naar de ondergrondse tram. Hij wilde het risico niet lopen samen met Mary gezien te worden, ook al werden de passagiers helemaal in beslag genomen door de volzinnen van de gids. Zorgvuldig checkend dat er alleen maar onbekende gezichten om hem heen stonden, wachtte hij tot er een tram met het nummer 2 het station binnenkwam. Dan vatte hij Mary's arm en, terwijl hij zijn kaart in de automaat stopte, duwde hij zijn onderbuik tegen haar heup. Zij draaide zich om en kuste hem vol op de lippen, met één hand om zijn achterhoofd en een andere rond zijn taille.
Er botsten mensen tegen hen op en een jonge pummel elleboogde zich aan hen voorbij. Maar er kwamen geen nijdige opmerkingen. De hele wereld, dacht Mary, vindt liefde vanzelfsprekend.
Toen de tram door zijn tunnel begon te rijden, gebruikte Mary haar pink om een spoortje lippenstift van Mikey's lip te vegen.
So far so good! Tijdens hun omhelzing, had zij haar diamant uit zijn zijzak gevist. Zodra Mikey haar aan zijn vriend had voorgesteld, zou zij een smoesje verzinnen om met die man alleen te blijven.
Mikey had zijn rechterarm om Mary's schouder geslagen. Met zijn linker hield hij zich vast aan een roestvrijstalen stang. Er waren nog wat zitjes vrij, maar ze moesten maar een paar haltes ver en zij voelden zich goed zo, dicht bij elkaar, bijna als een jong stel op huwelijksreis. Mikey zuchtte. Hij wenste bijna dat dit een ander soort nummertje zou worden, want Mary was een uitzonderlijk meisje. Maar zaken waren zaken en Shlomo had alles voorbereid zoals gewoonlijk. Het steentje dat die aan Mary zou verkopen was echt genoeg en ook de vriendenprijs was niet overdreven hoog. Maar Shlomo zou misbruik maken van de transactie om Mary's credit card te kopiëren, met een handig machientje dat hij onder zijn toonbank verborgen hield. De volgende keer dat zij de kaart nodig had, zou zij vaststellen dat haar hele krediet was opgebruikt.
'Tough shit!' mompelde Mikey, snoepend van het Amerikaanse idioom, blij dat zijn Engels zo lekker opschoot.
'Kijk,' riep Mary. 'Dit moet het zijn!'
Buiten hing een groot bord waar 'Diamant' opstond. Dat was niet zo moeilijk te vertalen. Zodra zij boven de grond kwamen op de hoek van de Pelikaanstraat, zagen zij een gigantische bouwwerf.
'Werken voor de hoge-snelheidstrein,' zei Mikey. 'Zolang ze graven onder de spoorbrug, doen de juweliers gewoon verder zaken in die containers daar!'
Ze wandelden hand in hand tussen de goudkleurige pantsercontainers en Mikey excuseerde zich, zodra hij Mary had voorgesteld aan Shlomo.
'Een boodschapje,' zei hij. 'Ik ben terug voor je het weet!'
Hij bleef drieëntwintig minuten weg. De helft van de tijd had hij aan de overkant van de straat staan wachten. Dan hing Shlomo het gebruikelijke signaal in zijn uitstalraam, zodat Mikey weer kon verschijnen, met in zijn hand een doos pralines.
'Van Del Rey,' zei hij. 'Ter plekke met de hand gevormd. Dit zijn de Cadillacs en de Rolls Royces van de chocoladekunst!' Mary straalde en Shlomo knikte. De truc met de pralines werkte altijd. Vrouwen konden nu eenmaal niet aan romantiek weerstaan. Zelfs keiharde sloerietjes als juffrouw Willoughby niet. Zij had er voor Shlomo geen doekjes omgedaan: ik heb een linke diamant, die ik kwijtwil. Als jij hem verkoopt, kun je er een leuke cent aan verdienen. Ik zal zelfs een juweeltje van je kopen, zodat je Mikey zijn gebruikelijke fooi kunt geven. Over onze speciale business hoef je hem niet in te lichten.
In Tbilisi, zijn geboortestad, was Shlomo een kleine heler. In de late jaren tachtig werd hij één keer te veel betrapt. En de politie gaf hem twee keuzemogelijkheden. De eerste, waar Siberië aan te pas kwam, maakte de keuze voor de tweede gemakkelijk: denk aan je
roots en maak gebruik van Artikel Vijf, dat joden het recht geeft om de Sovjet-Unie te verlaten.
Antwerpen, met zijn grote kolonie Oost-Europese joden en zijn gigantische diamantindustrie, was een voor de hand liggende bestemming en Shlomo had er zo goed geboerd dat hij nu niet alleen een kleine heler was, maar ook een grote juwelier. Het feit dat de Organisatsya eveneens Antwerpen had uitgekozen als één van haar bruggenhoofden, kostte hem alleen maar een paar duizend per week aan protectiegeld. En zij stuurden hem nog klanten ook. Zoals Mikey de stomme stier van de Northern Queen, die hem een onafzienbare reeks naïeve kippetjes bracht, klaar om gepluimd te worden.
Alleen was dit bepaalde kippetje allesbehalve naïef!
'Oho,' had zij gegrinnikt. 'Da's een hele ouwe die je daar gaat opvoeren, Shlomo. Mijn credit cards worden alleen boven tafel gebruik!'
Terwijl hij haar diamant bestudeerde -acht karaat, blauwwit, loepzuiver- was zij vlak bij hem komen staan, haar groene ogen zonder knipperen op zijn handen gevestigd. Nadat hij accoord was gegaan om een certificaat te schrijven, had zij de steen weer op zak gestoken en koeltjes haar voorwaarden gedicteerd. Hij moest vanavond nog een klant vinden of ten laatste morgen. Als het nodig was, zou zij een extra nacht in Antwerpen blijven en met een Intercity naar Rotterdam gaan, de volgende aanlegplaats van het cruiseschip. Zij zou Shlomo de steen brengen als hij de klant had.
'Bel mij!' zei Shlomo in het Georgisch.
Hij keek niet naar Mikey, maar naar Mary en hij probeerde zijn boodschap te doen klinken als één of ander exotisch adieu.
Op de terugweg naar het schip, wilde Mary iets drinken op een terrasje en Mikey ging naar de WC om Shlomo te bellen. Toen hij terugkwam keek Mary hem broeierig aan.
'Ik voel me schuldig,' zei ze.
Mikey's hart bonsde tegen zijn borstkas. Zou ze hem toch nog alles vertellen? Hij hoefde maar een paar seconden op het antwoord te wachten, maar later zou hij zich altijd blijven afvragen of hij haar zou getrouwd hebben, als ze hem de waarheid had gezegd, toen op dat zonnige terrasje in Antwerpen. Maar Mary lachte vrolijk en bekende alleen maar dat zij de cadeaudoos had opengemaakt en dat zij al veel te veel pralines had gegeten.
Zeven uur later, was Mikey daarom bezig in haar hut te breken, terwijl Mary in de grote eetzaal een T-bone steak met frietjes bestelde. Al sinds zijn veertiende, was Mikey een volleerde slotenpikker en bovendien was het cabineslot van het makkelijk te kraken deurknop-type. Hij verstopte zijn gereedschap routineus achter een brandblusapparaat in de gang. Te dom om het op zak te hebben, als je betrapt zou worden!
Hij hoefde niet lang te zoeken: de diamant zat aan de lattenbodem van het bed vast met een stuk tape. Maar hij kon het certificaat, dat Shlomo domweg geschreven had, niet vinden. Dat had ze waarschijnlijk in haar tasje.
Mikey ging op één van de smalle bedden zitten en overwoog hoe hij aan dat papier kon komen, vooraleer Mary ontdekte dat haar diamant verdwenen was. Elk certificaat, dat niet afkomstig was van de Hoge Raad voor Diamant, was natuurlijk waardeloos, maar het mooi ogende stukje karton dat Shlomo had ingevuld, bewees wel het bestaan van een briljant van acht karaat.
Hij kon haar niet meenemen naar zijn hut, want die moest hij delen met een andere steward. En hij kon haar ook hier niet opwachten, want zij nou natuurlijk meteen naar haar hersenloze kleine bergplaats kijken.
Seconden later, werd dat dilemma vanzelf opgelost. Mikey hoorde het krassen van een sleutel in het slot en hij kon maar nauwelijks rechtspringen voor dat de cabinedeur openging. Zijn lieve kleine minnares knalde de deur achter zich in het slot. Haar ijzige blik registreerde de wanorde in haar kooi en de verbijsterde uitdrukking op het gezicht van haar minnaar.
'Jij smeerlap!' siste zij. Zij wierp zich boven op hem, met klauwende nagels en krijsend als een samoerai.
'Geef me mijn steentje terug!' gilde zij.
Wat er in de eerstvolgende seconden gebeurde, zou Mikey zich nooit helemaal kunnen herinneren. Het enige dat hij zeker wist, was dat hij daar stond, hijgend van inspanning en met op zijn gezicht een krampachtig grimas , dat zijn tanden ontblootte. Hij had een mes in zijn hand en Mary lag op de grond. Bewegingloos.
Na een tijdje, klapte Mikey het knipmes dicht en pakte Shlomo's certificaat uit Mary's tasje. Hij haalde zijn inbrekersgerief van achter de brandblusser vandaan en nam, zonder iemand tegen te komen, de lift naar het verlaten sportdek. Eén voor één gooide hij de minuscule parkersleutel en de kleine
schroevendraaier in de rivier. Hij pakte het springmes, waarmee hij in Tsjetsjenië zijn leven had verdedigd en keek ernaar voor dat hij het overboord gooide. Er zat maar een klein beetje bloed op. Misschien was Mary niet ernstig gewond!
Toen Mikey een hete douche had genomen en een halve fles Stolychnya had gedronken, was hij er al half van overtuigd dat alles weer normaal zou zijn, als hij morgenvroeg wakker werd.
Mary, van haar kant, was er zich terdege van bewust dat zij nooit meer wakker zou worden. Zij had haar stervend lichaam verlaten, nog voor dat het op de grond viel. Van ergens boven, niet echt hoog, maar zeker boven het plafond van haar hut, had zij haar eigen lichaam zien liggen. En de gestalte van Mikey, die het certificaat uit haar tasje haalde. Dan hoorde zij hemelse muziek en daalde er een helder licht op haar neer. Zij voelde zich high worden, in een roes die vele malen heerlijker was dan de povere extase die wereldse drugs konden veroorzaken. Maar zij had altijd een sterk karakter gehad.
'Nee!' riep zij dus en meteen voelde zij het soort opwinding, die bij levende mensen wordt veroorzaakt door een
adrenaline-opstoot.
Nee, Mikey Korakin, die vuile rat, mocht de vruchten niet plukken die haar toekwamen en haar alleen! Niet zolang zij, Mary Willoughby, nog enige invloed kon uitoefenen op de aardse sferen!
De volgende dag was helder en zonnig. Voor één keer konden de petrochemische walmen in de stratosfeer ontsnappen, vooraleer zij de stad vergiftigden. Maar hoofdinspecteur, Leo Dewit, kon de brakke Scheldewind niet smaken. Het lijk in H-112 was een paar uur geleden ontdekt, maar Mary Willoughby, blank van Amerikaanse nationaliteit, bruin haar en groene ogen, was al minstens twaalf uur dood. Het team van de wetenschappelijke politie zou zijn best doen en ook Dewit zelf wilde er tegenaan, maar hij wist dat dit gevecht niet te winnen was.
Een Brits schip met achttienhonderd mensen en één Amerikaans lijk aan boord, zou allang weggevaren zijn voor dat zelfs maar de diplomatieke complicaties waren ontward.
Dewit zuchtte. Hij likte het puntje van zijn wijsvinger en bladerde door zijn notities. Mary was ingescheept in Southampton en daar zou zij ook weer van boord gaan, na de volledige rondreis van zeven dagen. Zij had
First Sitting geboekt, het avondmaal voor vroege vogels en zij deelde haar tafel met drie Engelse echtparen en een Noorse vrijgezel, die duidelijk homofiel was. Geen enkele van haar zeven disgenoten had haar ooit, buiten de grote eetzaal, ontmoet. Gisteren was de overledene van tafel gegaan voor dat de hoofdschotel werd opgediend. Zij excuseerde zich en ging weg zonder nadere verklaring. Nadine Reed, een gepensioneerde onderwijzeres uit Chicago, Illinois, was met juffrouw Willoughby op verschillende excursies geweest. Zij beschreef Mary als een intelligent en gecultiveerd meisje, dat erg op haar privacy was gesteld. Niemand wist met wie Mary Willoughby omging en, afgezien van Miss Reed en van haar zeven tafelgenoten, had geen enkele van de passagiers ooit haar naam gehoord. Een croupier herkende haar van een foto, maar alles wat hij wist was dat ze roulette speelde voor bescheiden sommetjes en dat het leek of zij dat eerder had gedaan. Niks in de
aerobic klas en de sauna en noppes in de twee nachtclubs. Haar cabine-steward wist alleen dat H-112 vroeg opstond en zo mogelijk nog vroeger naar bed ging. Nee, voor zover hij wist, had niemand haar ooit in haar hut bezocht.
Dewit had zijn hoofd gekrabd, toen hij die verklaring opnam. Maar de steward loog, dan deed hij dat met een stalen gezicht. Er was zo goed als niets, dat de hoofdinspecteur kon doen!
Om 10u50 ontscheepten twee ziekenbroeders het stoffelijk overschot van Miss Willoughby. Dewit zag het gebeuren vanaf het navigatiedek, waar hij naartoe was gegaan om de kapitein te interviewen. Zeven dekken lager werd de baar met de lijkzak aan land gedragen over de gangway van de bemanning.
Afgevoerd langs de personeelsingang, dacht de hoofdinspecteur. Opeens leek de beiaard van de Onzelievevrouwenkerk te verdubbelen in volume en Dewits blonde haar waaide in zijn gezicht. De politieman keek naar de hemel, maar er was geen wolk te zien. Er was geen aanleiding voor plotse windvlagen, zeker niet uit de ongebruikelijke oostelijke richting. De hoofdinspecteur stak zijn nek uit en keek naar de dekken boven hem. Helemaal boven, op het sportdek, zag hij het doodstille silhouet van een man, die blijkbaar gefascineerd was door het lichaam in de plastic zak en door de wachtende lijkwagen.
'Tenminste één man om haar uit te wuiven,' mompelde de politieman.
Hij draaide zich om en vatte de deurknop, maar een plotse windstoot deed de deur naar de brug uit zijn hand waaien. Dewit draaide zich verrast weer om en liep naar de reling. De man op het hoogste dek, gesticuleerde wild, maar hij was te laat om zijn pet te pakken. Een weinig karakteristieke windhoos kreeg het kledingstuk te pakken en speelde er wat mee, vooraleer het naar beneden en naar binnen te keilen.
Toen het ding voor zijn voeten belandde, zag Dewit dat het een zeemanspet was. Hij bukte zich en raapte de pet op. Onder de zweetband zag je een stukje wit papier zitten. Zonder er bij na te denken, vouwde de politieman het open. Het was een soort diploma of een certificaat of zo. Maar wat hem het meest interesseerde was de naam die op de eerste stippellijn was ingevuld: Mary Willoughby.
De hoofdinspecteur keek omhoog. Het silhouet op het sportdek had zich niet bewogen, maar het leek of de man zijn hoofd liet hangen. Er mengde zich zich steeds meer klokken in het koor van de beiaard. Het zal wel verbeelding zijn geweest, maar de hoofdinspecteur dacht in het sissen van de plotse wind een uitroep van triomf te horen:
'Yess!...'