Iets heb ik alvast gemeen met de Britse dichter, Laurie Lee, en de Amerikaanse superjournalist, James A. Michener: het allereerste dat wij van dit schiereiland zagen, was de overweldigende kustlijn van Kaap Finisterre en wij stonden alledrie op het dek van een schip. Maar na een heel mensenleven, herinnerden Laurie en James zich nog de details waardoor ‘I walked out one sunny
morning’ en ‘Iberia’ zo’n belangrijke boeken over Spanje zijn geworden, terwijl mijn herinnering zo vaag is dat ik niet eens meer weet hoe de schuit heette die mij, in de zomer van 1955, van Duinkerke naar Cádiz en weerom bracht. Het was in ieder geval een aftandse kustvaarder, die niet eens over een generator beschikte want in de havens werden petroleumlampen aangestoken, en die onder het bevel stond van een al wat oudere zeerob, die een barse stem had en die vond dat hij mij moest bevaderen. Ik was onbezoldigd bemanningslid, of als je wil niet-betalende passagier, ik was voortdurend zeeziek en ik verveelde mij stierlijk, want als je tegen de wind in ligt te stampen lijken de grijze baren van vandaag enorm veel op de saaie golven van gisteren. De romantiek was ook ver te zoeken, want het stonk in Iberië, er liepen melaatsen met een ratel door Lissabon en in Andalusië leefden de mensen, samen met hun dieren, in een stal. Niet meteen een opbeurende spetter kleur in de toch al zo grijze jaren vijftig. Zeker als je negentien jaar oud bent en overspoeld wordt door dat roemruchte gevoel van onbehagen dat één decennium later voor een sociale revolutie zou zorgen.
Hoewel ik tijdens deze reis eindelijk mijn ‘bloemetje’ kwijtraakte in een Iberische hoerenkast waar een live-orkest ‘The Yellow Rose of Texas’ speelde, was die ervaring niet gedenkwaardig genoeg om mijn latere fascinatie voor Spanje te verklaren. Achteraf ben ik blij dat ik het Iberië van Lee en Michener nog heb kunnen ervaren, compleet met de walm van patchoelie die heel Lissabon omhulde en de aanblik van de met zweren overdekte paupers van Cádiz. Mijn ervaringen van een halve eeuw geleden helpen mij immers om de verrukking te begrijpen waarmee oudere Spanjaarden zich op moderne consumptiegoederen storten, evenals het onbegrip van de jóvenes die denken dat Franco een Italiaanse filmster was. Maar die ervaringen alléén zouden mij nooit terug naar hier hebben gebracht. Toen Bob Dylan in de jaren zestig ‘Spanish boots of Spanish leather’ uitbracht, deed ik weliswaar een slappe poging om naar de Costa’s te liften, maar ik strandde in Avignon. Ik ontmoette mijn grote liefde, die in hippere tijden een paar maanden in Andalusië had doorgebracht, wij leefden heftig en wij huurden, want wonen was een functie, geen passie. Soms praatten wij nog wel eens over Spanje, maar wij kletsten ook over Rusland dat ik bereisd had als gids op een autobus, en over Amerika waar mijn zoon opgroeide. Soms, als de rat race echt onze neusgaten uitkwam, maakten wij plannen over tropische eilanden. Maar verder dan met een pennenmesje in het blad van onze werktafel krassen dat wij niet in België oud wilden worden, kwamen wij niet.
Ik laat hem dus maar lukraak ontstaan in ‘69, die ene bepaalde baksteen in mijn maag. Ik had toen net een nieuwe jeugd achter de rug, die vijf heerlijke jaren had geduurd, van mijn negenentwintigste tot mijn vierendertigste. Als krantenjournalist had ik eindelijk de job die ik al tien jaar eerder had willen hebben en ik werkte mij uit de naad, gniffelend van plezier. Op een middag in de zomer zat ik alleen op de redactie. Was het een zondag, misschien? Of waar waren anders mijn collega’s? Gek hoe de tijd je herinneringen selecteert en opbergt in vakjes waar je niet altijd bij kunt. Alsof ik over een ver verleden zou schrijven: ‘Waarom hij daar alleen zat, vermeldt de geschiedschrijving niet’.
In ieder geval stond er opeens een enorme vent voor mijn bureau, die meteen met de deur in huis viel: ‘Als je me verlinkt, breek ik allebei je poten, maar als je het eerlijk speelt, vertel ik een verhaal waarvan je haar recht overeind gaat staan!’ Wij waren wel wat gewoon in die tijd, onze redactie lag midden in een uitgaansbuurt en er waaiden wel meer rare kwasten binnen. Bovendien had ik net vijf jaar lang voor mijn kostje geknokt in en om ‘De Muze’, een kroeg die toen nog berucht was. Ik had op het terrein geleerd dat cool meer potentieel heeft dan macho en ik vroeg dus kalmpjes of mijn bezoeker zin had in een kopje koffie. Hij stak een ontzaglijke klauw uit en zei dat hij Frans Van Reeth heette, zeg maar Frank. Het verhaal waar mijn haren ten berge van zouden rijzen heeft hij jaren later zelf geschreven en ik heb het gepubliceerd in Panorama, een weekblad waar ik intussen hoofdredacteur van was geworden. Het ging over de schandalige behandeling van criminele geesteszieken en het mondde uit in een reeks over hoe je misdadiger werd en waarom. Die bewuste middag echter, maakte Frank een afspraak voor ‘s anderendaags, dronk zijn koffie op en wandelde de redactie uit, recht in de armen van de politie. Het duurde vijf jaar voor ik hem weerzag. Er ging mij niet meteen een licht op toen hij zijn naam noemde, want de misdaadjournalistiek was mijn terrein nog niet; ik was meer gespecialiseerd in onfortuinlijke honden die onder auto’s sukkelden of in bejaarde echtparen die hun diamanten bruiloft vierden. En ik had het druk. Maar nu, dertig jaar later, herinner ik mij nog het korte gesprekje dat ik toen met hem voerde, net zo helder als had ik hem gisteren ontmoet en als had ik pas van een collega vernomen, dat ik verzuimd had ‘De Kleerkast’ te interviewen, de meest beruchte inbreker die België ooit had gekend. ‘Okee, ik ben een bandiet, maar ik heb nooit iemand gedood of zelfs maar verwond!’
‘???’
‘Weet je... al wat ik wil is een huisje aan de Middellandse Zee en dat ze me gerust laten!’
‘Ja zeg, wie wil dat niet?’
‘Ja maar, ik zal in dat huisje wonen en jij niet!’
Het is andersom gelopen. Frank is in de gevangenis gestorven, de plek waar hij de helft van zijn leven had doorgebracht. Hier in het rek staat zijn boek ‘De Helft van de Tijd’. Hij heeft er een opdracht in geschreven, waarin hij zegt dat hij zonder mijn steun niet met schrijven zou zijn doorgegaan. Toch durf ik niet te zeggen dat De Kleerkast mijn vriend was; daar was onze relatie te vluchtig voor. En hij wàs natuurlijk een gangster, ook al heeft hij dan nooit iemand vermoord. Maar toch is hij één van de vriendelijke schimmen, die met ons leven in dit huis. Ik durf te wedden dat hij allang de anderen heeft ontmoet: mijn vader, die dacht dat hij Spaans sprak als hij overal -as en -os achterzette, maar die door stralende marktvrouwen met Don Guillermo werd aangesproken. Mijn vriend Jo, die in Antwerpen zijn sigaretten aanstak met een mechero en die vond dat flamenco een vorm was van jazz. En wie weet ook het onbekende Zweedse echtpaar, dat ons huis heeft gebouwd, stevig met dubbel glas en dikke muren. Zoals ze dat doen tegen de kou boven de Noordpoolcirkel en waardoor het hier binnen koel is in de zomer. Zij mogen gerust zijn in hun Walhalla: de tuin is nu volgroeid en het tuinhuisje is gerestaureerd. Jammer dat zij indertijd de drie palmbomen hebben laten snoeien door een pasteibakker, een pastelero. Althans dat zegt Paco en hij kan het weten, want hij is een especialista! Maar dat vertel ik u later wel eens.
© Piet Teigeler